|
Op deze school hebben veel oud-buurtgenoten van onze wijk een vakopleiding gevolgd. In de jaren vijftig heette deze school: De Gemeentelijke Technische School (GTS). Het opleidingsniveau was L.B.O. (lager beroepsonderwijs). In 1992 werd deze richting vervangen door V.B.O. (voorbereidende beroepsonderwijs) en in 1999 werd het V.M.B.O. (voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs). Deze school leidde op tot het getuigschrift LTS. De vakopleidingen die hier werden gegeven waren: Timmeren, Electrotechniek, Machinebankwerken, Autotechniek, Brood- en Banketbakken, Metselen, Schilderen en Fijnmetaalbewerken. De situatie op de Lourdesschool was destijds zo, dat zo’n 50% van de leerlingen na de zesde klas naar de GTS gingen en 40% naar de MULO, de rest koos een een andere opleiding, o.a. de HBS. Veel andere vervolgopleidingen waren er toen nog niet. Om naar de GTS te kunnen, moest je minimaal 12 jaar en 8 maanden oud zijn. Was je na de 6e klas nog niet oud genoeg, dan moest je nog een jaar in deze klas blijven zitten. Op de MULO werd je ongeacht je leeftijd na de 6e klas wél toegelaten.
Op de GTS heerste een “strenge orde”.
Als om half negen ’s morgens de “schooltoeter” loeide, moest je je verzamelen voor de buitendeur, die toegang gaf naar het leslokaal. Gelijk na de tweede “loei” mocht er niet meer gesproken worden en moest je keurig in de rij naar de klas gaan. Als je toch nog wat durfde te zeggen en je werd gesnapt, werd je bij de onderdirecteur op het matje geroepen, die viel dan vreselijk uit en als straf moest je dan vaak op je vrije middag terugkomen en kon je corveedienst verrichten. Ik had later, toen ik voor mijn militaire dienstplicht was opgekomen, weinig moeite om me in zulke situaties aan te passen, ik had immers al veel ervaring.
Nog erger was, dat er tijdens het 6e leerjaar op de Lagere School niet of nauwelijks werd gekeken welke vervolgopleiding voor jou het beste geschikt was. Als je ’n beetje “domme indruk” maakte moest je naar de GTS en “pienter uitziende jongens” mochten dan naar de MULO.
Ikzelf moest een timmeropleiding gaan volgen. Als ik ergens geen aanleg voor had, dan was dat juist voor timmeren. Maar vaak bij zovéél dingen in het leven kwam alles nog goed.
De directeur van de school was in die tijd de heer van Dongen. Dat was wel een sympathieke persoonlijkheid. |
|
|
De onderdirecteur was ene meneer De Jongh, die continu aan zijn pijp lurkte en als hij niet hoestte, was hij wel bezig leerlingen vermanend toe te spreken. We waren altijd blij als hij om de een of andere redenen er niet was, want als je dan op het matje werd geroepen voor het een of ander, dan moest je je melden bij de conciërge, die was wel aardig. Hij zei meestal: “pas op niet meer doen hoor!” en dan kon je weer terug naar je klas. Die conciërge liep altijd in uniform en had een pet op. Hij zag eruit als een gasmeteropnemer uit die tijd.
Onze timmerleraar was de heer van Bakel, die woonde ergens in het Heuvelkwartier. Als hij had uitgelegd hoe je een bepaald werkstuk moest maken, dan ging hij altijd vanuit zijn lessenaar aandachtig zitten kijken wat wij er allemaal van bakten. Die lessenaar stond vlak bij mij in de buurt en hij kon dus goed zien wat ik allemaal aan het doen was. Meestal ging het bij mij niet goed. Dan voelde ik dat hij “gericht” naar mij zat te kijken. Dan begon hij met zijn hoofd te schudden, trok de pijp uit z’n mond (ook al een pijproker) en riep dan: “pruts maar raak jongen, pruts maar raak!” Ik denk toch wel dat de tegenwoordige leraar naar jou toe zou komen en zal proberen je van alle kanten te helpen! Er waren in die tijd twee timmerklassen, naast elkaar en in een tussenlokaal maakten we dan wél samen gebruik van dezelfde houtbewerkingsmachines. Die andere leraar was de heer de Kanter.
Nederlandse taallessen werden toen gegeven door de leraren: Daniëls en Diepstraten. Deze leraren gaven ook muziekles. Dat vonden de meesten van ons wel leuk. Iedereen mocht wel eens een grammofoonplaat van thuis meebrengen en werd dan daar afgespeeld. Ik vergeet nooit meer het nummer Blueberry Hill van Fats Domino, die bracht iemand mee en ben hem dezelfde dag in een platenzaak nog gaan kopen. De heer Diepstraten was een groot liefhebber van jazzmuziek, vooral van Louis Armstrong. Enkele andere leraren uit die tijd, welke ik nog kan herinneren zijn: Schrijvers, Verkooijen, van Zundert, van Doorn en van Pelt. Omdat de bouwwereld in die tijd zat te schreeuwen om geschoold personeel werd de timmeropleiding van 3 jaar snel teruggebracht tot 2 jaar. Dat vond ik niet erg.
|
|
|
|
|
|