Bezorgers en ophalers

De melkboer:

Janus van Gils was de melkboer uit de Rijnstraat. Hij had daar een goedlopende melkwinkel, maar deed ook melk aan huis bezorgen. Janus was een grote en sterke man, zijn hulp werd vaak ingeroepen als er weer ergens hommeles was in het Westeinde. Want voor Janus had men respect en hij wist vaak alleen al door zijn verschijning de kwestie te sussen. Janus hield ook van jongleren, dat deed hij altijd met de melkflessen, alvorens hij ze voor het huis op de stoep zette. Hij gooide de flessen ’n aantal meters de lucht in om ze daarna weer op te vangen. Dat ging natuurlijk wel eens mis en dan ging de hele zaak met grof geweld tegen de vlakte. Hij ruimde het dan wel op, daar had hij een veger en blik voor bij. Er bleef dan alleen natte plek achter. Je zou zeggen dat het toch een schadepost is deze manier van bezorgen, maar dat kon hem waarschijnlijk niet deren want hij had een goedlopende zaak en ‘n paar kapotte flessen, nou ja!

De kranteman:

De kranteman was ook een bijzonder iemand. Zowat iedereen had destijds een abonnement op “de Stem”, die was toen nog wel betaalbaar. Elke dag kwam hij om half een aanzetten met zijn fiets met die grote tassen achterop, vanuit de Haagweg. Je kon er zowat de klok op gelijk zetten. Het was een klein mannetje van amper 60 kilo zwaar en zijn fiets met kranten samen misschien wel 200 kilo. Hij leek wel ’n beetje op Johnny Kraaikamp met zijn petje op. Hij wist alle adressen uit zijn hoofd. Alle kinderen uit de buurt waren altijd nieuwsgierig hoe het verder ging met de verhalen van Suske en Wiske. Dus liepen zij hem altijd tegemoet om zovast de krant mee te kunnen krijgen. Dat was nooit een probleem. Hij lachtte altijd als hij ze zag aankomen. Hij wist echt wel waar hij dan niet meer hoefde te bezorgen. Een maal per week werd er dan contant aan de deur afgerekend

De broodbezorgers:

Ondanks dat er zoveel bakkers in de buurt zaten, werd er ook brood bezorgd door bakkers die uit andere wijken kwamen. Ze hadden toch nog overal in onze wijk hun klanten zitten. Er waren bakkers die nog gewoon achter een kar liepen, maar er waren er ook met een bakfiets. Bekende bakkers uit die tijd die brood bezorgden waren o.a. Welten, van Beckhoven en Oomens. Ook Kees en Herman van Lint uit de Verlaatstraat deden brood bezorgen. Ergens in de jaren vijftig is er ‘n keer een broodoorlog geweest. Alle bakkers verlaagden daarom hun prijs van brood en zelfs zo laag dat ze er bijna niks meer aan verdienden. De broodbezorgers werden hier de dupe van, want de bakkers in onze omgeving waren ineens een stuk goedkoper geworden en toen kocht men alleen nog brood in onze wijk. Het ging maar om centen, maar centen waren toen nog veel waard.

De groenteboer:

Aardappelen en groente kon je zowat overal kopen in onze wijk en ook hier liepen dagelijks groenteboeren door de wijk. De bekendste was groenteboer van Gils uit de Oranjeboomstraat, die woonde tegenover de kerk en had daar ook een winkeltje. Hij was altijd met paard en wagen. Een heel aardige man. Hij zei wel eens: ik ben zo dom als het achtereind van een varken maar rekenen kan ik als de beste. (hij bedoelde hiermee met afrekenen, dat deed hij ook altijd een keer per week en dan meestal op zaterdag).

Alikruiken:

Er waren momenten dat men in de verte hoorde roepen: aaaalikriekuuuu! (het klonk zo’n beetje als een sirene), dan had men nog tijd genoeg over om wat centen bij elkaar te zoeken alvorens hij  in de straat aan kwam, met zijn karretje vol met alikruiken. Hij graaide dan altijd met een kom in de alikruiken. De mensen stonden dan met een bordje klaar om die dingen te ontvangen. Die vonden de meeste mensen heel lekker, die beestjes werden er met een (sluit) speld uitgehaald en dat was dan smullen geblazen.

 

De Kolenboer:

Vooral in de beginjaren vijftig verwarmden de mensen hun huizen nog met kolenkachels. Je had voor de huiskamer de kolenhaard en vaak voor de andere ruimtes in huis een potkachel. Op die potkachels kon je ook kastanjes poffen. In de achtertuin had je dan vaak een kolenkist staan of in de schuur een kolenhok. In onze wijk werden de kolen (antraciet) besteld bij de firma Reichard, die ook olie aan huis bezorgde. Er waren toen ook oliekachels. Als de kolen begonnen op te raken kon je van te voren bij deze firma een afspraak maken en kwamen deze dan aan huis bezorgen. Deze kolen werden dan in speciaal hiervoor bestemde zakken aan huis bezorgd. Je moest wel even doorgeven hoeveel “mud” je wilde hebben. (1 mud = inhoudsmaat voor droge waren = 1 hectoliter = 100 liter) Met 10 mud kolen kon je zowat de gehele winter vooruit. Maar zo’n bestelling in één keer was een heel bedrag, dus werd vaak maar een kleiner deel besteld en als ze dan op begonnen te raken bestelde je gewoon nog wat bij. De mannen die de kolen bezorgden moesten altijd de zakken kolen vanaf hun wagen naar het kolenhok sjouwen. Dat was zwaar werk en ze zagen er ook altijd uit als “zwarte piet”. Als de kachel aangemaakt moest worden, werden er eerst wat brandhoutjes in gelegd, die dan met papier (meestal een oude krant) werden aangestoken. Als de hele zaak dan flink ging “fikken” kon je hierop dan een hoeveelheid kolen gooien. Met een beetje geluk brandde de kachel dan zo’n hele dag. Tegen de tijd dat je dacht: ze gaan opraken vulde je gewoon weer bij. Er kwam natuurlijk een moment dat er teveel “slakken” in de kachel kwamen te zitten. Die moest je er dan uithalen. De as van de kolen kon je er dan uithalen door middel van de asla die onderin de kachel zat. Dan moest je de kolenkit gaan vullen en dan begon alles weer van voren af aan.

De schilleboer:

De man die in onze buurt de schillen kwam ophalen is dezelfde persoon die ook in het Heuvelkwartier de schillen ophaalde. Daar hebben zij op hun site al ruime aandacht aan besteed. Het was inderdaad een lange magere man die altijd van die grote laarzen aanhad. Hij had altijd een grote handkar bij zich met van die lange handvatten er aan. Hij liet die kar ook wel eens door een paard trekken. Hij verzamelde ook oud brood, dat was dan weer goed als voer voor de paarden.

De bulleboer:

Je gaat je bijna afvragen: wie kwam er eigenlijk niet aan de deur? Ook de bulleboer belde aan of er nog bullen waren. Hij had rood haar en heette v. Puijfelik, hij woonde aan het spoor in de bomenbuurt. Daar had hij zijn opslag naast zijn woning.

Tijdschriften:

Ook in de jaren vijftig hadden de meeste mensen blijkbaar toch nog wat geld over om zich te laten abonneren op diverse tijdschriften. Heel populair waren “De Panorama”, “De Revue” en  “De Katholieke Illustratie”. De jeugd was vooral geabonneerd op bladen zoals: “Donald Duck” en de

“Engelbewaarder” (schooluitgave). Je had toen ook al de leesmap met diverse bladen er in. Ook hiervoor werd steeds aan de deur afgerekend. Je had ook nog de bladen “Libelle”, Margriet” en “Goed Nieuws” en niet te vergeten: de radiogids.

De huisbaas:

De enige die men niet graag zag komen was de huisbaas. Dat gold zo’n beetje voor iedereen. Het was normaal in die tijd dat de huur contant aan de deur werd betaald. De meeste mensen hadden toen nog geen bankrekening, dus je moest wel met geld betalen, het was ook tevens het grootste bedrag dat van het weekloon af ging.

Er was natuurlijk niet altijd geld in huis, dus als de huisbaas kwam werd er vaak niet open gedaan en verstopte men zich in huis, met de hoop dat hij dan weer zou vertrekken. Uiteindelijk werd er dan wel ’n keer betaald, maar men kon dat dan even uitstellen.

Het is bekend van iemand waar de huisbaas ook aanbelde, terwijl zij zich ondertussen verstopte onder het voorraam. Maar ze had pech, want de huisbaas kon door het raam in de wandspiegel zien dat ze zich verstopt had. Hij begon op het raam te bonzen en riep: kom maar tevoorschijn ik heb je zien zitten! Wat dat betreft was het natuurlijk een niet zo leuke tijd.

De vuilnismannen:

Eenmaal per week werden de (zinken) vuilnisbakken geledigd en voordat de vuilniswagen aan kwam, liep een van de vuilnismannen vooruit met een ratel en kondigde op die manier hun komst aan. Tot op de dag van vandaag is het ophalen van vuil keurig geregeld.

foto's: Ton Damen

Gaspenningen:

In de jaren vijftig waren er veel gezinnen die nog gas gebruikten door middel van gaspenningen, die ze dan in een speciaal daar voor bestemde “meter” moesten stoppen en dan was er weer 1 kubieke meter  gas beschikbaar voor huishoudelijk gebruik. Dat moest je goed in de gaten houden, want vóór dat je het wist waren ze ineens op en dan moest je eerst nieuwe kopen. Het gebeurde nog al eens dat je ineens zonder gas zat. Nou hadden de meeste mensen nog wel een kolenkachel staan en werd daar maar op gekookt.

De ijscoman:

Zomers kwam er iedere begin van de avond het karretje van Jamin door de straat rijden en één maal bellen was voor hem voldoende om zowat de gehele buurt op straat te krijgen. Bij deze ijscoman kreeg je dan voor 10 cent een blok ijs (bijna net zo groot als een pakje boter) om van te smullen en voor 5 cent extra had je er een met chocolade er om heen. Ook bij bakker van Lint kon je heerlijke ijsjes kopen. Hij had daar een speciaal loket voor, net rechts van het winkelraam in de Verlaatstraat en had daar een eigen ijsmachine staan. Vanaf de jaren 60 was het vooral het “IJsboerke” uit België die in onze wijk rond reed.

De orgelman:

Meestal op woensdag kwam ook de orgelman door onze wijk zijn muziek ten gehore brengen. In die tijd werd er nog handmatig aan het wiel gedraaid. Men vond dat destijds mooie muziek want veel anders was er nog niet, behalve dan de fanfare’s en de typisch begin-vijftigerjarenmuziek op de grammofoonplaat. Zij belden ook bij iedere deur aan voor een kleine bijdrage en haalde daardoor nog wel redelijk wat op. In de latere jaren, toen men overging op zwengelen d.m.v. motoraandrijving ging toch wel de romantiek er wat van af. Het geluid van het motortje kwam af en toe boven de muziek uit. Het is tegenwoordig duidelijk te merken dat het orgel steeds meer uit het straatbeeld verdwijnt, van een kant jammer, maar ook begrijpelijk. De tegenwoordige mens is practisch alleen nog geinteresseerd in de huidige populaire muziek. (kijk maar eens naar de reactie van ene Xebrozius, van een internetsite geplukt)

Straatorgels zijn de ghettoblasters van de winkelpassages. Als ik een bulldozer en alle adressen had van straatorgels, dan waren er al snel geen orgels meer.

Bericht van : Xebrozius

De postbode:

De postbode liep in de jaren vijftig nog in een donkerblauw of zwart uniform rond met van die rode strepen op de kraag. Hij droeg ook een zwarte pet. Op de jasjes zaten van die zilverkleurige knopen. (zie foto) Van een afstand dacht je altijd dat daar een politieagent liep of reed. De post werd vroeger 2x per dag bezorgd en de brievenbus werd 3x per dag geledigd. Doordat ze een regelmatige en tevens “donkere” verschijning waren, waren ze nou niet bepaald vrienden van de huishonden. Ik denk dat elke postbode wel eens is gebeten door een hond, omdat de voordeur nog wel eens op een kier stond en zodoende de hond kon ontsnappen. Een hond verdedigt nou eenmaal van nature zijn territorium met “hand en tand”. De postbode was vijand nummer één voor de hond en dat is nog steeds zo, het lijkt erop alsof de hond de post ziet alsof er “vuilnis” op zijn territorium wordt gedeponeerd en begint daarom heftig te blaffen. Als men geen opvangbak achter de brievenbus heeft zitten komt het vaak voor dat alle poststukken door de hond worden vermorzeld. Een bekende postbode uit onze wijk was de heer van Dongen uit de Oranjeboomstraat.

De glazenwasser:

Zolang er ruiten bestaan, zolang bestaan er ook glazenwassers. Zonder ze in een kwaad daglicht te stellen zijn ze in feite automatisch de grootste “pottekijkers” aller tijden. Maar dat zijn ze gewend en dat brengt ook wat afwisseling in hun werk teweeg. Er zijn veel gevaarlijke situaties waarin ze zich moeten begeven. Denk maar eens het staan op zo’n (in mijn ogen) eng smal laddertje, of ergens hangen in zo’n cabine tegen een hoog gebouw aan. De glazenwasser die in onze wijk de ramen moet schoonmaken hoeft gelukkig niet hoger te komen als de eerste verdieping, dat valt dan dus nog wel mee. De meeste glazenwassers houden ook heel erg van koffie drinken: “kopje koffie, glazenwasser”?

Kees Wittenbols, 2005