|
Het kwam natuurlijk voor dat de jongens van de Don Bosco School zich op een gegeven moment aardig thuis begonnen te voelen in onze wijk en er daarom in hun vrije uurtjes er wel eens doorheen gingen wandelen. Er waren er twee bij die ik even wil belichten: Door hun gedrag, vanwege hun handicap, werden ze al gauw voor ons de meest bekende verschijningen van de buurt. Er werd al snel een bijnaam voor ze geregeld, maar dit even terzijde.
De meest opvallende persoon was “Piet”, hij had de gewoonte om alle peuken sigaretten en sigaren van de straat op te rapen. Als ze nog lang genoeg waren stak hij ze weer op. Dat vonden wij als wijkbewoners een zielige bedoeling en boden hem, als we hem tegen kwamen een sigaret aan en dat vond ie prachtig. Hij liep inderdaad altijd continu te roken. We kregen later de indruk dat hij alleen nog maar door de straten heen liep om sigaretjes te kunnen krijgen, dat moet bijna wel zo zijn, want zijn zakken puilden wel eens uit van al die ontvangen sigaretten. “Hallo Piet, moet jij ’n sigaretje hebben?, ja dat is goed, mooi weer hé, en dan sjokte ie weer verder. Het is toch prachtig als je regelmatig zo’n iemand in je wijk tegenkomt nietwaar? Die andere persoon was een boomlange kerel die maar een paar passen nodig had om aan het eind van de straat te komen. Hij had zijn hoofd altijd naar boven gekeerd en schudde hiermee van links naar rechts, of andersom. Hij liep ook altijd in zichzelf te praten. Wij konden met hem geen contact krijgen, maar hij straalde wel plezier uit. Deze man liep zo veel dat je hem overal in de stad wel eens tegen kwam en hield het tempo er altijd flink in. Op latere leeftijd was hij knalgrijs geworden, maar liep nog steeds met die behoorlijke tred.
|
|