Koninklijk lintje voor bredase wielerfanaat Harry Voesenek


BREDA – “De mannelijke moeder van de Brabantse Federatie” werd hij al eens genoemd. De inmiddels bijna  80 jarige Bredanaar Harry Voesenek laat het zich welgevallen. Dat hij “iets” heeft met de wielersport is een understatement van de bovenste plank. Zijn leven draait welhaast om tweewielers. Voesenek’s verdiensten voor de wielersport worden breed gewaardeerd. Afgelopen maand leverde die waardering hem zelfs een heuse koninklijke onderscheiding op. Het nieuwbakken Lid in de Orde van Oranje-Nassau blijft er zelf bescheiden onder. Vandaag (21 Mei 2006) uit De Bredase Bode het eerste deel van een terugblik met wielerfanaat Harry Voesenek.

"EEN RONDE VAN ITALIË RIJDEN LUKT ECHT NIET OP EEN PEPERKOEK ALLEEN"
Het begon heel simpel met een stelletje mannen dat regelmatig op de fiets zat, start Voesenek zijn verhaal. “Onder hen de bekende wielrenner Wies van Dongen. De familie van Dongen was een echte wielerfamilie. Er hebben wel vier broers Van Dongen gereden. Die mannen woonden allemaal op Effen. Zelf ben ik geboren op De Rith. Omdat je in de buurt woont, kom je elkaar toch tegen op de fiets. Het duurde dan ook niet lang voordat we met onderlinge wedstrijdjes begonnen met een gulden inleggeld en een paar prijsjes”.

  • Als een lopend vuurtje

De wedstrijdjes leidden in 1962 tot de officiële oprichting van Wielervereniging Avanti.Vervolgens zijn we de zaken een beetje gaan uitbouwen, vervolgt Harry Voesenek. “Zo gingen we contributie heffen. Hierbij ging het maar om heel kleine bijdragen, hoor, want in die tijd hadden de meeste mensen het niet bepaald breed. De naam Wielervereniging Avanti is ontstaan door de rijwielzaak van Aad en Kees van Amsterdam die aan de Rijsbergseweg zat. Toen zijn we ook met andere verenigingen in contact gekomen. Het nieuws over een nieuwe vereniging ging natuurlijk als een lopend vuurtje. Hier in de regio zaten veel echte liefhebbers die allemaal wilden fietsen. Als eerste hadden we contact met wielervereniging ERVC uit Roosendaal. Later deden we ook veel zaken in Rotterdam, op de Waalhaven. Daar zat eveneens een ploeg die graag met en tegen ons wilde rijden”.

  • Ronde Miss

Wanneer zich in 1970 steeds meer wielrenners aanmelden, besluit  Voesenek met een aantal gelijkgestemden tot de oprichting van de Brabantse Federatie “Als overkoepelend orgaan voor alle wielerploegen in de regio. Vanaf de allereerste dag ben ik bij de BWF betrokken geweest, zoals dat ook bij Avanti het geval was. Bij Avanti deed ik de aanvragen voor de vergunningen en verzorgde ik de licenties en keuringen. Maar ik was er ook mecanicien, verzorger en zelfs een soort Ronde Miss bij de vrouwenwedstrijden, ha ha. Ik deed er eigenlijk alles”.

  • Verkeerde keelgat

“De Koninklijke Nederlandsche Unie (KNWU) was niet blij met de BWF. Tot de opkomst van lokale en regionale wielerfederaties was de KNWU heer en meester in Nederland. Dat die Brabanders nu alles zelf gingen  regelen schoot behoorlijk in het verkeerde keelgat. Er over praten wilden ze echter niet. De KNWU was  totaal niet buigzaam en hield vast aan veel te strakke regels. Ook de Limburgers waren al vrij snel zelfstandig. Bij de door de overheid  gesubsidieerde KNWU brokkelde het ledental snel af, terwijl die bij ons groeide. Er is toen een bepaalde rivaliteit ontstaan die eigenlijk nooit meer is verdwenen”.

  • Broodwielrenners

Harry Voesenek vertelt over het door de BWF georganiseerde Nederlands kampioenschap voor de vrije renners. “Een soort open kampioenschappen waar ook grote namen op afkwamen. Er was dan ook veel publieke belangstelling. Ook niet-Brabantse renners die altijd in België fietsten kwamen op deze kampioenschappen af. Dat waren de zogeheten renners die alle koersen afstruinden om er prijzen te winnen. Daar zaten we bij de BWF eerlijk gezegd nooit op te wachten en ik al helemaal niet. Voor deze regio hadden we bij de zo’n 130 ingeschreven wielrenners. Als lid van de BWF kregen zij bij de koersen die wij organiseerden korting op het inschrijfgeld. Renners van buitenaf moesten onder overlegging van hun legitimatiebewijs iets meer betalen.

  • Pepmiddelen

Het kwam niet zelden voor dat renners met hun leeftijd probeerden te knoeien om te kunnen worden ingedeeld in een andere categorie, weet Voesenek. “Als ze er de kans toe kregen gebeurde dat ook. Dat er kunstjes worden uitgehaald binnen de wielrennerij is een gegeven, maar dat geldt ook voor andere sporten. Pepmiddelen zijn in elke sport aanwezig. Dat het onderwerp doping van tijd tot tijd opduikt, heeft voor een deel ook te maken met de Nederlandse situatie. In België worden dopingcontroles door de staat betaald. Ik heb vroeger zelf regelmatig in België gefietst. Bij het zien van de controlewagen startten sommige renners gewoon niet of ze verlieten het parcours. In Nederland zijn de controles nooit op die manier van de grond gekomen door de hoge kosten die er aan verbonden zijn”.

  •  Medische begeleiding

“Wij hebben bij sommige wedstrijden ook wel eens onze bedenkingen gehad bij bepaalde renners, maar je kon iemand natuurlijk nooit met de vinger aanwijzen. Doping blijft een actueel onderwerp. Het tempo bij wielerprofs ligt ongelooflijk hoog. Een Ronde van Italië of een Ronde van Frankrijk rijden lukt echt niet op een “peperkoek” alleen. Al moet je natuurlijk ook de medische begeleiding niet uitvlakken. Er wordt gewerkt met vitaminepreparaten, het suikergehalte wordt nauwkeurig bewaakt, noem maar op. Met de wielersport is vandaag de dag enorm veel geld gemoeid. De renners zijn allemaal profs, ze zijn puur met hun vak bezig”.

tekst en foto's: Addo Sprangers ( DE BREDASE BODE)