Ik weet nog toen ik mijn Eerste Heilige Communie had gedaan, dat het een plicht werd om iedere zondag naar de kerk te gaan, voor het bijwonen van een mis. Er werd niet aan mij gevraagd of ik daar eigenlijk wel iets voor voelde, neen, het moest gewoon, punt uit! Het hoorde er gewoon bij. Mijn ouders waren katholiek, dus wij vanzelf ook. Dus … hup, naar die kerk toe!
Volgens de katholieke leer was het bijwonen van een mis - op zondag dus - een verplichting. Als je geen goede reden had, als je eens ’n keer niet ging, dan deed je een doodzonde. Dit moest je dan zo snel mogelijk ‘opbiechten,’ want anders kon het helemaal fout met je aflopen. Stel, dat je plots zou komen te overlijden. Nou, dan was je de ‘sigaar,’ want dan ging je zonder omweg naar de hel. Wat een geluk, dat ik niet vóórdat ik gedoopt werd kwam te overlijden. Immers, iedereen werd geboren met een ‘erfzonde’ en die zou dan automatisch worden vergeven zodra je gedoopt was. Anders was ik ook regelrecht naar de hel gegaan! Volgens de katholieke leer had ik dus al heel wat op mijn ‘kerfstok,’ toen ik nog maar net was geboren! Als kind zijnde werd je in feite voor heel veel dingen bang gemaakt voor al deze enorme grote flauwekul. Ik had vroeger altijd al twijfels, betreffende ‘alles’ wat met het geloof te maken had. De geestelijken konden allemaal ‘mooie’ verhalen vertellen, van wat er zo - onder andere - rond het jaar nul moet hebben afgespeeld, maar ik vond het altijd al iets van ‘duizend en een nacht.’ Ik had toen al duidelijk een eigen en zéker een andere gedachte hieromtrent, maar droeg deze voor de ‘goede orde’ niet al te veel naar buiten toe uit. Deze gedachte heb ik nu nog steeds en die zal zeker nooit meer veranderen.
Ja, die kerk. Ik kan niet herinneren dat ik ooit met plezier daar naartoe ben gegaan. Wat heeft bovendien een kind nou eigenlijk te zoeken in een kerk? Het was op de eerste plaats altijd veel te druk met mensen en je zat werkelijk tussen de anderen ‘gepropt’ en het enige wat je zag was de brede rug van een volwassene die voor je zat. Wat er op en rond het altaar gebeurde, kon je dus niks van zien. Als er daar gesproken werd was het ook niet te verstaan, want het was allemaal in het Latijn. Het enige Nederlands wat je te horen kreeg, was van de pastoor of kapelaan, die op de preekstoel zijn verhaal verkondigde. Waar het over ging, was duidelijk gericht aan de volwassen persoon. Veel te ingewikkeld voor een kind! Dan had je nog zo rond de ‘consecratietijd’ het bewieroken van iets, waarvan ik nog steeds niet weet wat het was en die rook sloeg duidelijk op je keel. Ik heb vaak menig kerkgangster flauw zien vallen, vanwege die enorme smerige lucht die in de kerk hing!
Dan dat koor! In wezen was dat nog het minst onaangename van de hele mis. Niet in elke mis werd er gezongen. Je had zondags, zover ik nog weet 3 missen, waarvan er een de hoofdmis werd genoemd. Juist in deze mis was er muzikale ondersteuning door: of mannenkoor, of jongenskoor of gemengd en dan met begeleiding van het orgel. De klanken van dit orgel waren best mooi te noemen. Doch vele malen heb ik een valse noot tussendoor gehoord, maar de organist deed zijn best. Alleen de mannen van het koor die lagen er veel vaker uit, soms werd zelfs het gezang onderbroken en keek iedereen in de kerk achterom, naar boven, want daar zaten ze allemaal, maar toch … het zij hun vergeven. Het waren ook allemaal maar vrijwilligers. Het jongenskoor stond in de beginjaren vijftig onder leiding van broeder Vitalis. Ik heb dat altijd een beetje eigenaardige persoonlijkheid gevonden. Doch het jongenskoor was zo slecht nog niet! Al mijn broers zijn lid geweest van dat koor, behalve ik. Hoe zou dat toch komen?
Ik weet ook nog dat het dragen van een hoofddeksel voor de vrouwen verplicht was en de mannen moesten hun hoed, voor ze de kerk betraden, afzetten. Kleine meisjes werden alleen in de kerk toegelaten als ze een strik in hun haar hadden, het is ongelooflijk maar waar!
De enige echte afleiding voor mij vond ik dan nog de communie, kon je eindelijk eens even weg van die harde houten bank. Ik heb een keer een komisch voorval meegemaakt bij het ter communie gaan. Een oudere broer en ik zaten op onze knieën aan die communiebank, toen we plotseling de slappe lach kregen. Dat was precies vóór het moment dat kapelaan Maas met zijn hosties kwam aandragen. Eerst wilde hij een hostie op de tong van mijn broer leggen, maar dat ging gewoon niet, vanwege die slappe lach en schudde ‘nee’ met zijn hoofd. Wat een verbouwereerd gezicht kapelaan Maas trok, was met geen ‘pen te beschrijven.’ Doch, hij ging weer verder. Toen was ik aan de beurt en ook ik kon van het lachen zeker geen hostie ontvangen en schudde ook ‘nee.’ Dat gezicht van die kapelaan, ik moet weer lachen als ik er aan terugdenk. Het is natuurlijk een bekend verschijnsel. Daar waar je serieus behoort te zijn, schiet je nog al gauw in een lach. Van die keren dat het ontvangen van de hostie wel lukte, kan ik nog herinneren, dat wanneer je dat ding in je mond had, je er niet op mocht kauwen. Je moest dan vanuit de communiebank ‘zeer vroom kijkend’ teruglopen naar je plaats en al knielend moest je je handen voor je gezicht houden en moest je ’n een of ander gebed al binnensmonds opzeggen. Wat voor een gebed ben ik vergeten. Ondertussen moest je proberen de hostie heel door te slikken. Je mocht er zeker niet op kauwen, want een hostie was en is nog steeds het lichaam van Christus en ik stelde me daarbij voor dat je ‘hem’ anders beet!
Ik had in een ander verhaal al eens verteld, dat wanneer de consecratie was geweest, je de kerk eventueel zou mogen verlaten. Daar liet ik meestal geen ‘gras over groeien’ en ging dan, druk of niet druk, gewoon weg. Behalve wanneer ik in ‘geldnood’ zat, dan bleef ik tot aan het eind van de mis zitten en nadat de mensen de kerk hadden verlaten of bezigwaren met het verlaten, ging ik, maar niet alleen ik, maar ook andere kinderen, snel alle banken langs om te kijken of er mensen geld hadden laten liggen, of hadden laten vallen en zo kwam ik dan toch wel vaak aan een extra centje om wat lekkers te kunnen kopen. Dat moest natuurlijk wel snel gebeuren. Want vrij snel na de mis kwam de koster de zaak even inspecteren en dan was het wegwezen.
|
|
|
Om de tijd een beetje te ‘doden’ konden we het natuurlijk ook niet laten, om wat kwajongensstreken uit te halen. Wij gingen meestal helemaal achter in de kerk zitten en als het te druk was bleven we gewoon achterin staan. Je had van die vrij lange gangpaden tussen de banken tot aan de communiebank toe. Zo tegen het eind van de mis gooiden we dan een knikker door zo’n gangpad richting altaar en die eindigde dan helemaal voorin. Het mooie was altijd dat er dan veel mensen omkeken met een boos gezicht en wij hadden dan weer de slappe lach. Het gebeurde weleens dat de koster er ‘lucht’ van kreeg en op ons af kwam. Omdat we toch helemaal achterin stonden en vlakbij de buitendeur waren, renden we dan naar buiten en dan was het nog minstens ’n half uur napret. Kijk, dat waren leukere dingen! Ook propjes schieten in de kerk vond ik een leuke bezigheid.
Ik ken ook nog iemand die het wel heel erg ‘bont’ maakte. Die had van thuis een ‘zakje blauw’ mee naar de kerk genomen en in een wijwaterbak gedumpt. Het waren vooral de wat oudere dames die van deze ‘bakken’ gebruik maakten, hun vingers hierin natmaakten en dan een duidelijk kruis maakten, door te beginnen bij het hoofd, dan de borst en daarna de twee schouders. Terstond waren ze getekend. Op alle vier voornoemde plaatsen een blauwe plek, waarna ze later van deze vlekken via de stomerij er slechts vanaf konden komen. Ook was er iemand die regelmatig een stinkbommetje liet afgaan in de kerk, nou, daar werd ik zelfs niet goed van. Ik bedoel maar … er waren er nog wel meer die de kerk nou niet echt zagen zitten, maar ook gedwongen werden daar naar toe te gaan en dan kun je er ‘donder’ opzeggen dat zulke dingen staan te gebeuren.
Voorts zijn er nog enkele dingen die vermeldenswaardig zijn van situaties, die ik nog goed kan herinneren uit deze voor mij ‘roerige’ jaren vijftig. Pastoor Dekkers had in die tijd een hond, ik dacht te herinneren dat het een Duitse Herder was. Maar deze had de gewoonte als de klok ging luiden van de kerk om dan luid te gaan zitten janken op het kerkplein. Zo luid zelfs, dat je het in de wijde omtrek kon horen. Deze hond had mijns inziens best wel een goed stel hersenen, want klokgelui vond en vind ik ook vreselijk en zou er ook bijna van gaan janken! Blijft natuurlijk de vraag over wie deze hond uitliet? Nou moet ik wel zeggen dat vooral in die tijd gewoon de voor- of achterdeur werd opengezet en de hond een vrije gang kende naar buiten en waar het hem uitkwam zijn behoefte deed. Zo zal het vermoedelijk wel zijn gegaan. Zo ken ik nog heel goed die dag voor de geest halen dat het Vormsel plaatsvond. Ik zat toen reeds in de zesde klas en het was toen Mgr. Baeten, de toenmalige Bisschop van Breda, die dit afnam. Ook kan ik nog goed herinneren dat kapelaan Braat zichtbaar opgebaard lag in de kerk en ook alle kinderen min of meer verplicht waren, om op deze manier afscheid van hem te nemen. Zie ook het verhaal van Ton Frijters: De Pastorie en zijn bewoners.
Nou zijn er in andere verhalen welke met deze kerk - en rond de kerk - te maken hebben, al bepaalde dingen geschreven. Onder andere al die ellende die met de biecht te maken hadden. Ja, dat heb ik ook allemaal ondervonden. Het is zeker toch wel leuk om die nog eens te lezen. Hier wil ik het dan bij laten. Langzaam maar zeker gingen er op den duur steeds minder mensen naar die kerk en ik weet niet of ze ondertussen dezelfde gedachten hebben als ik, maar het zou best wel eens kunnen.
|
|