|
Over de kappers uit de vroegere tijd heb ik al het een ander geschreven. Doch ik zet ze nog maar eens allemaal op ’n rijtje. Want er waren best verschillen. Daar bedoel ik dan mee dat de een nog slechter was dan de andere! Mijn vraag is nog steeds hoe en waar deze kappers hun vak geleerd hebben. Van sommigen denk ik wel eens dat ze daarvoor schapenscheerder waren. Dat kan bijna niet anders, want vaak als ik van de kapper vandaan kwam zei mijn moeder wel eens: “och arm schaap, wat hebben ze nou toch met jou gedaan”? Voelt u ‘m? Ik heb best nog veel foto’s van mezelf uit m’n kindertijd en kan nog aan de haardracht zien bij welke kapper ik toen kwam. Want als er een foto van je moest worden gemaakt zorgde je er eerst voor dat je naar de kapper was geweest. Achteraf gezien was dat natuurlijk fout. Je haar ging pas goed zitten als het weer redelijk lang was geworden.
Mijn eerste kapper was Speekenbrink uit de Oranjeboomstraat 24. Die zat destijds, ten eerste het dichtstbij en ten tweede als enige in de buurt. Een soort stamkroeg dus. Ik weet niet meer precies in welk jaar ik voor de eerste keer daar naar toeging, maar dat zal ongeveer in 1948 zijn geweest. Voor die tijd deed mijn moeder ons zelf (bij) knippen. Wij hadden nog al wat kinderen thuis en gingen daarom meestal allemaal tegelijk daar naar toe. Dat was altijd op een woensdagmiddag, want dan knipte hij uitsluitend kinderen. Je moest van te voren wel een nummertje bij hem gaan halen. Via deze volgorde knipte hij dan zowat de gehele middag de kinderen uit de hele buurt. Daar had hij een speciale kapstoel voor. Dat ding was helemaal van hout en het zitvlak was zo hoog dat je er zelf niet op kon kruipen. De heer Speekenbrink pakte je dan op en zette je dan op dit ding. Logisch, zodoende kon hij gewoon rechtop blijven staan tijdens het knippen. Nou had ikzelf wel een probleem. Ik kon moeilijk stilzitten, zodat hij met z’n ene hand mijn kop stevig vasthield en met zijn andere deed hij dan knippen. Zo ging dat echt. Bij mij bakte ie er echt niks van. Ik ging meestal met een bijna “kale knikker” de deur bij hem uit. Dat heette zeker geen economisch knippen!
Enkele jaren later: “God zij dank”!: Toen kwam Hein van Gastel!
Hein begon als jonge knecht bij kapper Speekenbrink en knipte veel beter, die verstond op jonge leeftijd al z’n vak. Ik probeerde toen altijd me door hem te laten knippen en dat lukte meestal wel. Ik liet gewoon een ander voorgaan als de heer Speekenbrink vrij was.
Doch enige tijd later vestigde zich een kapper in de Oranjeboomstraat, schuin tegenover ons. Dat was lekker dichtbij. Alleen maar even oversteken! Dus we veranderden gelijk van kapper. Maar dat duurde niet lang. Ik heb het hier over Jan de Deugd. Een kapper die al redelijk op leeftijd was, dus dachten wij, dat is een man met jarenlange ervaring en bovendien was hij nog een paar stuivers goedkoper. Ik wou bijna schrijven: ik zal u de details besparen, want er is al genoeg over hem geschreven. Maar dat is niet de bedoeling, want ik ben met een kappersvergelijk bezig, dus leest u het nog maar eens ’n keer.
Ik heb het vermoeden dat kapper Jan de Deugd voordat hij kapper werd, in een timmerfabriek heeft gewerkt en zijn werkzaamheden voornamelijk bestonden uit het met een klauwhamer spijkers trekken uit oude houten planken, om ze daarna met een botte schaaf weer gaaf te krijgen. Zo knipte hij ongeveer ook! Het verblijf op zijn kapstoel was een ware hel. Vooral als hij zijn tondeuse gebruikte. Tijdens het knijpen op dat ding, trok hij het ook gelijk de hoogte in. Het was alsof je gescalpeerd werd. Als dan het uiteindelijke resultaat goed te noemen viel, dan had ik daar nog mee kunnen leven. Maar als je thuis kwam en in de spiegel keek, geloofde je je ogen niet. Het was alsof er een bloempot op je kop was gezet en hij rondom had afgeknipt, wat zeg ik: afgezaagd!!! Dat had ie natuurlijk ook op die timmerfabriek geleerd!
Dus toch maar weer terug naar Speekenbrink. Doch een oudere broer van mij had intussen een andere kapper ontdekt en die zat ook nog redelijk in de buurt. Dat was op de Vredenburchsingel. Weliswaar bijna achteraan, maar wist te vertellen dat dit een veel betere kapper was en ook niet duur. Dus toen weer met z’n allen daar naar toe. De goede man heette Backx en was een broer van de bekende kapper die op de Grote Markt zijn salon had. Hij had zelfs 3 kapstoelen in zijn zaak staan en zijn beide zonen waren zijn knechten. Ook hij knipte de kinderen alleen op woensdagmiddag. Maar eerlijk gezegd: we gingen er qua “vormgeving” er best wel op vooruit. Het toeval wilde dat naast deze kapper een onderwijzer woonde van onze school, waar ik ’n keer bij in de klas heb gezeten en wel de heer Vissenberg. Maar dit terzijde. Het was inmiddels al een stukje in de jaren vijftig. De oude heer Backx van de Grote Markt kende ik al van gezicht en de kapper van de Vredenburchsingel, zijn broer dus, leek er wel een van ’n tweeling. Het was ook de tijd geworden dat de kwaliteit van de kappers er echt wel op vooruit gegaan was. Er waren toen zeker al wel goede opleidingen hiervoor. Dit in tegenstelling van de tijd rondom de oorlogsjaren, naar mijn mening.
Het was ook ineens de tijd dat kapsalons als paddestoelen uit de grond verrezen. Doordat we allemaal wat ouder begonnen te worden gingen we ieder ons eigen weg en gingen afzonderlijk op zoek naar een nieuwe kapper.
Ik kan u zeggen dat het lang geduurd heeft voor ik een vaste kapper had gevonden. Persoonlijk ging ik altijd het liefst naar een kapper waar je gelijk werd geholpen. Ik was niet de enige die daar zo over dacht en zo ontstonden er kapsalons, waar je ruim van te voren een afspraak voor moest maken. Dat werkte perfect (en nog steeds).
Er zijn later, tegen de tijd dat ik volwassen werd, nog heel wat kappers de revue gepasseerd. Ik zal er enkelen noemen: Tiest van Gool en kapsalon Peeters, allebei op de Haagdijk, waar ik Hein van Gastel weer tegenkwam, die daar weer als knecht fungeerde. Ook bij Backx op de Grote Markt liet ik me wel eens knippen. Dit deed ik alleen als het er echt om ging, want hij was knap duur, maar wel heel goed!
Toen ik ontdekte dat Hein van Gastel een kapsalon opende in de Oranjeboomstraat tegenover die voormalige haardenwinkel van v. Heusden ben ik daar weer naar toegegaan. Zijn zoon knipte inmiddels ook al. Hein van Gastel knipte toen ook al uitsluitend op afspraak. Doch als ik een afspraak had voor half twaalf, mocht ik toch blij zijn als ik om half twee aan de beurt was. Hein keek niet zo nauw. Maar het verblijf in zijn kapsalon was echt wel een aangename tijd steeds. Er werd daar veel over voetbal gesproken en daar wist ik ook wel wat van. Dat wachten was niet een echte ramp.
Later is Hein van Gastel toen verhuisd naar die prachtige salon op de hoek van de Oranjeboomstraat en Oranjeboomplein, alwaar zijn zoon het later van hem heeft overgenomen.
Kapper Speekenbrink en Jan de Deugd waren inmiddels al gestopt. Dat was van hun heel verstandig. Ze liepen immers het risico te worden opgepakt voor “kindermishandeling”!
De laatste 15 jaar heb ik een vaste stek en wel bij Peter de Jong, een oude jeugdvriend en buurtgenoot van mij, die zijn kapsalon heeft in de Mauritsstraat. Maar hij stopt binnenkort ook, doordat hij ook al ’n aardig stukje in de zestig is. Doch zijn zoon heeft de zaak reeds overgenomen. Dus dat gaat nog wel ’n tijdje door.
Mijn volgende kapper zal vermoedelijk er wel een worden die “aan huis” in een bejaardenoord de oudjes komt knippen. Ik hoop niet dat het er een zal zijn van het kaliber Speekenbrink/Jan de Deugd. Anders begint alles weer van voren af aan.
Kees Wittenbols, Juli 2006
|