Het dagelijkse gangetje naar het station


Toen ik van de ambachtsschool afkwam ben ik gelijk gaan werken. Dat was nét voor de zomer van 1959. Mijn vader was toen uitvoerder en werkte aan een nieuwbouwproject in Zevenbergen, aan de Pastoor van Kessellaan. Ik had op school “timmeren” geleerd, dus was het logisch dat ik in de “voetsporen” zou treden van mijn vader. Hij ging in die tijd gewoon met de bus naar Zevenbergen, lijn 17 en die had een bushalte op de Haagweg. Deze bus ging dan via Etten-Leur. Alleen had mijn vader de gewoonte om altijd net iets te laat op te staan en moest zich altijd rot rennen om die bus te halen. Voor ontbijt had ie nooit tijd meer. We stonden wel gelijk op. In dat rennen iedere dag had ik natuurlijk geen zin en pakte daarom altijd een bus later. Zodoende kon ik wel eerst ontbijten. Ik kwam uiteraard dan wel te laat op m’n werk, maar dat vond mijn vader niet erg. Hij was tenslotte de baas daar. Doch, het was natuurlijk geen goed begin van mijn carrière. Het gebeurde ook wel eens dat de bus net voor z’n neus wegreed en moest dan weer snel naar huis om de fiets te pakken en reed dan als een “bezetene” naar het station toe. Die zette hij daar in de fietsenstalling en pakte dan daar lijn 17 die weer over Terheijden naar Zevenbergen reed. Die ging namelijk ’n half uur later. Dat heb ik ook wel eens gedaan.

Ik ben daar toen in Zevenbergen als timmerman aan de slag gegaan, voor 25 gulden netto in de week (dat was zo slecht nog niet), maar dat hele vak stond me niet aan. Ik wilde snel iets anders gaan doen. Ik had veel meer talent om tekenaar te worden en toevallig liep ik iemand tegen het lijf, die een adres wist van iemand die een leerling tekenaar zocht. Dat was wel in Bergen op Zoom, maar dat maakte mij niet uit. Ik ben daar toen gaan solliciteren en werd aangenomen. Toen begon het “treingereis”.

Ik moest er nu natuurlijk wel voor zorgen dat ik die trein ieder dag zou halen. Die werkgever was mijn vader niet en deze stelde het natuurlijk wel op prijs dat ik op tijd kwam. Maar ja, ik was al heel snel “aardje naar zijn vaartje” en dat werd dus ook bijna iedere dag rennen naar die trein. Ik kiende het op een gegeven moment op de seconde af uit, om net de trein te kunnen halen. Stoplichten waren nog nergens te vinden dus daar hoefde ik dan ook geen rekening mee te houden. Als ik op m’n fiets stapte en merkte dat m’n band te slap stond en deze nog eerst moest oppompen, kwam ik al in de problemen. Ik moest dan harder fietsen dan normaal en kwam vaak bij het station in de buurt als de trein inmiddels al was gearriveerd. Dat kon je mooi zien vanuit de Spoorstraat. Ik stalde mijn fiets altijd bij de dames van Turnhout, die hadden daar een grote poort alwaar achter een oude stal was, die ze ingericht hadden tot fietsenstalling. Ik gaf dan mijn fiets een “zwieper” in die poort, zodat hij zonder mij nog ’n stuk verder reed tot hij dan ’n eind verder neerplofte. Ondertussen was ik al met een “gloeiende” vaart richting perron gelopen. Ik had inmiddels de conducteur al horen fluiten en moest dan het tunneltje nog onderdoor. Als ik dan op het perron aankwam was de trein al aan het rijden. Ik liep daar dan langs, trok de deur open en sprong er dan alsnog in. Dat gebeurde natuurlijk niet iedere dag, maar wel vaak. Ik was zeker niet de enige die op deze manier de trein moest halen. Dat was een sport op zichzelf. En heel spannend: wél of niet halen. Het gaf me altijd veel voldoening als ik hem wél gehaald had en een ander niet. Dat kon je dan nog net door het raampje zien.

Toch ging me dat op een bepaald moment de keel uit hangen en wilde een andere manier zien te vinden om naar het station te gaan. Toen besloot ik om eerder op te staan en ging voortaan te voet! Als ik me enigszins zou verslapen, zou ik dan altijd de fiets nog kunnen pakken. Dat ging in het begin best wel goed. Maar dit ging ik ook uitkienen en met de minst geringe tegenslag werd het op laatst toch weer rennen en was alles weer bij het oude. Met de stadsbus gaan had geen zin, want die deed er net zo lang over. Toen ik wat ouder begon te worden, kreeg ik wel door dat je zoiets natuurlijk niet vol kon houden en heb toen maar meer tijd hier voor uitgetrokken. Ik heb ongeveer 40 jaar lang met de trein gereisd naar m’n werk en weer terug. Wat ik in de trein allemaal meemaakte vertel ik wel in een volgend verhaal.

Kees Wittenbols