De Lourdesschool was zo slecht nog niet

Over de lourdesschool heb ik al het een en ander geschreven. Maar nooit echt, hoe het daar eigenlijk precies aan toe ging. Het is natuurlijk niet te vergelijken met de school van tegenwoordig, maar het onderwijs wat we daar kregen was zeker minstens zo goed als nu. Misschien zelfs wel beter. Met dat beter bedoel ik dan voor leerlingen die goed mee konden komen. De onderwijzers waren echt niet flauw. Als je bijvoorbeeld na een rekenles vier fouten in de opgaven had gemaakt, kreeg je er ook prompt een zes voor. Had je acht fouten dan werd het ’n twee! Aan het eind van het trimester werd het gemiddelde berekend en dat cijfer kwam gewoon ‘keihard’ op je rapport. Dus je zette alle ‘zeilen’ bij om slechte eindcijfers te voorkomen. Daar waren ze heel streng in. Gelukkig kon ikzelf redelijk goed meekomen en dan rol je in feite goed door je lagere schooltijd heen. Met Nederlands had ik gelukkig maar weinig moeite. Juist die Nederlandse taal was voor de meesten behoorlijk ‘zware kost.’ Vaak zo erg, dat de onderwijzer de waarde van het eindpunt toch maar wat naar boven bijstelde. Anders zou zelfs de helft van de klas moeten blijven zitten. Je kunt je natuurlijk afvragen, of de moeilijkheidsgraad van taal in die tijd niet te hoog lag, voor leerlingen van de Lagere school? Dat zou best wel eens kunnen. Maar zoals gezegd, voor mij gold dat gelukkig niet. Zo had je er ook, die weer een ‘kei’ waren in rekenen. Daar kon ik gelukkig ook goed in mee. Je zou ook kunnen zeggen, dat iedereen wel een vak had waar hij goed of minder goed in was.

Doch gebeurde het maar al te vaak dat er leerlingen waren die bijna nergens goed in waren. Maar ja, wat heet niet goed? Voor hun werd dan overwogen ze naar een andere school te sturen. Echt scholen voor moeilijk lerende kinderen waren er toen eigenlijk niet. Was je niet te handhaven op onze school, dan bleef er maar een ding over en dat was de BLO. Deze afkorting stond voor: bijzonder lager onderwijs. Het probleem met deze school was dat je velerlei verschillende soorten kinderen bij elkaar had zitten. Er zaten zelfs, zoals ze dat nu noemen, verstandelijk gehandicapten tussen. Dat dit later werd veranderd was natuurlijk een goede zaak. Mijn oudste broer overkwam dat. Op een veel latere leeftijd werd bij hem schizofrenie vastgesteld. Hij kon ook niet echt goed meekomen op school en moest toen naar die BLO. Die waren toen gehuisvest in de Sint Janschool aan de Weerijssingel, precies naast de kerk. Broeder Vitalis was daar toen een van de onderwijskrachten. Toen de nieuwe Sint Janschool gereed was, aan de Verbeetenstraat, is hij daar nog naartoe gegaan. Hij heeft altijd ‘onder protest’ op die school gezeten, want ik kan nog goed herinneren dat hij weleens zei: “het zijn alleen maar gekken die daar zitten.” Ja, hij kon niet goed meekomen op school, dat was een feit, maar voor een BLO was hij zeker te goed. Hij heeft uiteindelijk gewoon leren schrijven en rekenen en velen merkten weinig tot niets aan hem. Hij was ook lid van het jongenskoor en toen hij een jaar of zestien was is hij gewoon gaan werken en op zijn achttiende haalde hij ook in één keer zijn rijbewijs. Doch, naarmate hij ouder werd, ging de schizofrenie toch wel parten spelen.

In een van mijn vorige verhalen heb ik ook de onderwijskrachten beschreven, alwaar ik bij in de klas heb gezeten. Maar heb min of meer alleen iets verteld over hun gedrag. Ze waren nou niet bepaald de gezelligste personen, maar vele andere kinderen, waaronder ikzelf, ook niet altijd. Ik was nogal nerveus van aard en kon heel moeilijk stilzitten. Maar dat is gelukkig allang over.

Andere vakken die werden gegeven waren nog onder andere: aardrijkskunde, vaderlandse geschiedenis, tekenen, lezen, schrijven en godsdienst. Ook werd nog bijgehouden wat je gedrag en vlijt was. Zelfs voor wellevendheid werden punten gegeven. Aardrijkskunde vond ik persoonlijk een leuk vak. Vooral die grote landkaarten die in de klas hingen spraken mij enorm aan. Ik kan nog heel goed de landkaart van Noord-Brabant voor de geest halen, waar alle plaatsen in een mooie rode kleur op stonden aangegeven. Ze hadden die zo opgehangen, dat ze zowat de hele dag te aanschouwen waren. Zo raakte je automatisch vertrouwd met deze kaart en leerde je heel snel waar alle plaatsen zo’n beetje in de provincie waren gesitueerd. Ook werd geleerd welke industrieën bij de diverse plaatsen behoorden. Dit moest je allemaal noteren in een speciaal schrift en als je thuis een mooie afbeelding vond van een product, wat een van deze fabrieken vervaardigde, dan mocht je dat plaatje mee naar school nemen en bij het verhaal plaatsen. Meestal waren het natuurlijk gewoon zwart-wit foto’s of plaatjes, maar dan maakte natuurlijk niet uit. Zo weet ik nog goed dat de Langstraat stond voor onder andere de schoenindustrie. Dus ik in allerlei blaadjes en kranten kijken of ik tekeningetjes of foto’s van schoenen hierin zag staan. Deze knipte ik dan uit en nam deze mee naar school. Kijk, dat waren de hele leuke dingen wat de aardrijkskunde betrof. Geschiedenis vond ik persoonlijk wat minder leuk. Wat er vroeger gebeurde was best wel interessant om te leren, maar je moest ook nog eens de jaartallen erbij leren. Dat vond ik maar niks. Dan had je ook nog de godsdienstles. Die werd meestal gegeven door de pastoor of kapelaan. In feite kan ik nog maar weinig herinneren waar hij het over had. Alleen weet ik nog erg goed dat je meestal de opdracht kreeg, een aantal artikelen uit die catechismus uit je hoofd te moeten leren. Een week later moest je dan sommige van deze artikelen, feilloos opnoemen. Niet echt mij lievelingsvak, zult u wel begrijpen! Maar van wie wel?

Hoewel handenarbeid geen officieel vak was op school, werd het af en toe toch wel gegeven. Ik kan nog heel goed herinneren dat we toch wel met enige regelmatig naar de zolder toe gingen en dan mocht je met speciale klei alle vormen maken die je maar wenste. Er waren later in mijn leven weleens situaties dat ik kleilucht rook en moest dan toch weer terugdenken aan die fijne uurtjes op de zolder van de Lourdesschool. Ook voorlezen, door de onderwijzer of broeder, was geen officieel vak. Maar dit werd vaak gedaan, als er nog wat tijd overbleef, zo aan het eind van de ochtend of middag. Het waren vooral sprookjesverhalen die werden voorgelezen en dan was het muisstil in de klas. Bijvoorbeeld Broeder Rumoldus was daar heel goed in. Ik kan nog vier boeken herinneren waaruit werd voorgelezen. Dat waren “Wipneus en Pim,” dan nog het zeer spannende boek, genaamd: “Ontvoerd,” het “Bosmannetje” en “Monus, de man van de maan.”

Aan de andere kant van de speelplaats was een overdekte fietsenstalling. Geen enkele onderwijzer had in die tijd een auto. Ze kwamen allemaal op de fiets naar school toe en zetten deze fiets dan daarin. De broeders van onze school woonden in die tijd in het gebouw van de kweekschool aan het Dr. Jan Ingenhouszplein. Die gingen steeds te voet van daaruit naar de Dr. Struijckenstraat en weer terug. Dit deden ze ook tussen de middag. Vaak waren er kinderen die op deze broeders wachtten en liepen dan met een grote groep samen met hun mee.

Nou nog even iets over de zittenblijvers. We hadden in mijn tijd hele grote klassen, met af en toe wel tussen de 40 en 50 leerlingen per klas. Elk jaar bleven er al gauw zo’n 10 stuks van zitten en die moesten dat jaar gewoon weer overdoen. Als ik naar een volgende klas ging, kwam ik daar dan ook diverse zittenblijvers tegen. Deze waren dan vaak 1 of 2 jaar ouder als ik. In de 4e klas, bij mijnheer Kerkhofs, maakte ik mee dat er een knaap in die klas kwam te zitten, die al voor de derde keer was blijven zitten en inmiddels al 14 jaar oud was. Ikzelf was toen 10 jaar. Dat zijn situaties die tegenwoordig zeker niet meer zullen voorkomen.

Enerzijds waren de onderwijskrachten best wel streng, maar anderzijds was het onderlinge contact ook wel goed te noemen. Zo kan ik nog goed herinneren, dat wanneer het had gesneeuwd en we een glijbaan had geformeerd op de speelplaats, dat dan ook de onderwijzers en broeders ‘meegleden’ en hadden we vaak samen de grootste lol. Ook met sneeuwballen gooien waren ze vaak van de partij. Zo kon het dus ook wel gaan. Ook met de schoolreisjes zongen ze net zo hard mee als het maar kon in die bus. Na deze, toch wel fijne jaren, ging ik naar de Ambachtsschool op het van Coothplein en daar ging het heel anders aan toe.

Kees Wittenbols, Februari 2007