Mijn lagere schooltijd


Op 1 september 1950 begon mijn lagere schooltijd op de Lourdesschool. Er zijn vanaf deze klas uiteraard nog vele dingen bijgebleven. Het eerste wat mij opviel in de 1e klas, bij broeder Hermanus, was het indrukwekkende schoolbord. Naast het schoolbord stond of hing nog een soort van “rek” waarop een plank was bevestigd. Dat bleek het overbekende bord te zijn van de plaatjes van “Aap, Noot en Mies”!

repro's: Ton Damen

Er was nog zo’n bord met van die spijkertjes erin, dat bleek een letterplank te zijn. Het afgebeelde bord op deze pagina is van een andere school ergens uit het Noorden van Nederland. Ik kan nog vaag herinneren dat het er bij ons iets anders uitzag. Nadat we deze woordjes geleerd hadden kreeg je een vervolg, dus nieuwe plaatjes. Ik ken nog één volgorde herinneren uit mijn tijd: Aap-Noot-Mies-Kam-Pit-Rijf-Rok-Een-Uil-Kous-Lei. Misschien heb ik er ‘n paar overgeslagen, maar deze woordjes liggen bij mij nog vers in het geheugen. Ook de schoolbanken in de klas vielen natuurlijk sterk op. Een lessenaarachtige bank, alwaar je met z’n tweeën in moest gaan zitten. Er stonden er wel zo’n vijf en twintig in deze klas in 3 of 4 rijen naast elkaar. Aan de kop van het schrijfblad zat ’n ingebouwd inktpotje. Er werden toen door de broeder wat schrijfspullen en schriften uitgedeeld, die je nodig had voor de toekomstige lessen die je moest gaan volgen. Die kon je dan stoppen in het vak onder het schrijfvlak. De lei met griffel werd toen al niet meer gebruikt. Je kreeg een penhouder alwaar je een kroontjespen op kon bevestigen. Een inktlap moest je zelf van thuis meebrengen. Ik weet nog dat mijn moeder die steeds voor ons maakte. Ze knipte dan een oud kledingstuk kapot en vervaardigde daarvan een prachtige inktlap. Die had je wel nodig ook, want in het begin werd er wat afgeknoeid in die schoolbank. Allereerst gingen we leren schrijven. Dat deden we toen nog eerst met een potlood. Als de punt bot was geworden mocht je altijd naar de lessenaar van de broeder toe. Daar zat een slijpmolentje op bevestigd en mocht je er zelf weer een nieuw puntje aandraaien. Je moest eerst altijd netjes je vinger opsteken om de aandacht van de broeder trekken, door er ook ’n beetje bij te sissen anders merkte hij misschien niks. Ook in de volgende klassen was dat steeds het geval. Als de broeder iets aan het uitleggen was, moest je altijd rechtop in de bank gaan zitten met je armen over elkaar, dit was voor de goede orde. De schriften hadden pagina’s met dunne horizontale lijntjes erop. Later bij het rekenen waren het pagina’s met een ruitjesverdeling. Er werd ook een gum en liniaal bijgegeven. Toen we later met de pen gingen schrijven moest je, alvorens het in de inktpot te dompelen, deze eerst met je tong vochtig maken, dan bleef de inkt er beter opzitten.

In de hoek van de klas stond een grote potkachel, immers er werd toen nog met kolen gestookt. Als ik vroeger thuis een kit kolen moest gaan halen in de schuur vond ik dat altijd een vervelende klus. In de klas werd er bijna om gevochten omdat te mogen doen. Achteraf gezien vond ik de 1e klas de belangrijkste klas van de gehele lagere schooltijd. Immers toen we naar de 2e gingen konden we al lezen en schrijven. Ik kan geen beschrijving geven van Broeder Hermanus. Ik kan hem slechts vaag voor de geest halen, maar moet zeker wel een aardige broeder geweest zijn, getuige sommige verhaaltjes van andere leerlingen die wat over hem verteld hebben op een andere site.

De grote vakantie begon altijd vanaf begin augustus en duurde tot en met 31 augustus. Op 1 september 1951 ging ik naar de 2e klas. Dat was toch wel een vreemde gewaarwording. Een nieuw lokaal en ook veel andere leerlingen. Er waren altijd wel nieuwkomers op de school en niet te vergeten de zittenblijvers. Als de dag van gisteren weet ik nog dat ik een plaatsje uitzocht ergens midden in de klas. Ik moest al snel van plaats veranderen want alle “kleintjes” moesten voorin plaats nemen. In het begin hadden wij een onderwijzer of broeder waarvan de naam mij is ontschoten, maar later kregen we de heer Havermans. Naar mijn weten was dit het debuut van de heer Havermans. We zaten in een lokaal op de beganegrond helemaal aan het eind van de school, nabij de hoofdingang dus. Achter zijn lessenaar was een muurkast, voorzien van een buitenraam. Als je lastig was werd je daarin gestuurd. Dat vonden we niet zo erg, want er was veel licht. De heer Havermans werd uiteraard wel eens boos, maar heeft nooit een mep uitgedeeld.

In de 3e klas kwam ik bij de heer van Leeuwen te zitten. Dat was een heel grote man met handen als kolenschoppen. Die heeft hij dan ook vele malen gebruikt. Ik was van nature erg nerveus en kon moeilijk stilzitten in de klas. Dat irriteerde hem enorm en als hij bij mij in de buurt kwam kon ik elk ogenblik ‘n “hijs” verwachten. Het gebeurde ook wel eens dat ik ‘m niet had zien aankomen en met ’n flinke klap sloeg hij me dan uit de bank. Dat deed hij bij anderen ook wel, maar ik was blijkbaar dé “favoriet” bij hem. Dat was trouwens de enige onderwijzer die er behoorlijk op “los kon timmeren”. Snel naar de volgende klas:

Vanaf de 4e klas beginnen de herinneringen veel sterker te worden. In deze klas hadden we de heer Kerkhofs als onderwijzer. Dat was een man die veel respect kon afdwingen. Hij hoefde alleen maar naar je te kijken en je werd zo mak als een lammetje. In deze klas werd er al heel serieus onderwezen. Je moest toen alles uit de kast halen om dit schooljaar tot een goed einde te brengen. Gelukkig ging het leren me goed af en had hier verder weinig problemen. Ook werd er in deze klas begonnen met aardrijkskunde. Er hingen daar van die heel grote en mooie landkaarten, die voorzien waren met de allermooiste kleuren. Mede daardoor werd dit een lievelingsvak van mij. Ik meen te herinneren dat hij wel eens had verteld dat hij als militair in Indië gelegerd was geweest en pas enkele jaren geleden in Nederland was teruggekeerd. In 1966 heb ik hem nog wel eens gesproken, omdat een oud-collega van mij die bij hem inwoonde, plotseling opgenomen moest worden, en het hem liever persoonlijk kwam vertellen. De heer Kerkhofs woonde toen in de Fatimastraat.

In de 5e klas kwam ik bij de heer Vissenberg in de klas te zitten. De heer Vissenberg woonde toen op de Vredenburchsingel naast kapper Backs. Dit was een strenge onderwijzer, die maar zelden van zijn lessenaar vandaan kwam. Hij onderwees als het ware van zijn lessenaar uit. Als er iemand niet oplette gooide hij altijd met krijt. Hij had ’n doos vol op z’n lessenaar staan. Ook gooide hij wel eens met een schoolborstel. Maar gooide niet doelbewust naar iemand, maar zo hard mogelijk tegen de muur of kast om je daardoor te laten (wakker) schrikken.

In de 6e klas kwam ik bij broeder Rumoldus te zitten. Dit was de meest sympathieke onderwijskracht van de hele school, oftewel voor mij: “lest best”! Hij was ook “meester” in het voorlezen. Hij kon de verhalen van Wipneus en Pim zo vertellen alsof je er zelf bij betrokken was. Wij noemden de verhalen trouwens altijd: Pim-Wipneus. Ook het volgen van de lessen ging in deze klas als van een “leien dakje”. In deze klas waren de lessen al van een behoorlijk niveau, immers ze moesten direct aansluiten op je vervolgopleiding. Ik weet nog dat we op de landkaart van Azië alle plaatsen moesten leren die hierop stonden aangegeven. Het ging om de grootste plaatsen van dit werelddeel. Omdat dit vak een lievelingsvak van mij was, wist ik ze allemaal aan te wijzen. Ik ben dat nooit meer vergeten en kan ze nu nog steeds noemen in de juiste volgorde, daar komen ze: Ankara-Damascus-Jeruzalem-Mekka-Bagdad-Teheran-Kaboel-Delhi-Calcutta-Bombay-Madras-Hyderabad-Karachi-Singapore-Bangkok-Kanton-Hongkong-Shanghai-Nanking-Peking-Woe Han-Tsjoenking-Tokyo-Yokohama-Nagoya-Taskjent-Vladivostok-Irkoetsk-Stalinsk. Dat had ik dus uit mijn hoofd geleerd. Ik weet nog dat Jan van Oers, een klasgenoot van mij uit de Houtmanstraat deze ook feilloos wist op te noemen. Er waren nog wel meer dingen die je uit je hoofd moest leren. Dit gold ook voor een aantal artikelen uit de cathechismus. Eenmaal per week kwam de pastoor voor de Godsdienstles en kwam je dan overhoren. Van te voren werd er gezegd wat je moest kennen. Want “wee je gebeente”! Meestal wist ik het wel. Ik had geen idee wat deze teksten inhielden, maar het ging bij de pastoor erom dat je het kon vertellen. Voor de rest was het wel een aardige man hoor! Lees de verhalen van Silvia en Ton maar eens op deze site! Na deze klas was ik nog te jong om naar een vervolgopleiding te gaan en ben toen nog ’n jaar bij hem in de klas blijven zitten, dat vond ik niet erg.

Uiteraard zou ik nog wel meer kunnen vertellen, maar wil het verhaal niet te lang maken. Ik denk dat mede-schoolgenoten zich wel hierin zullen herkennen en dat was ook ’n beetje mijn bedoeling. Deze tijd was tenslotte toch ’n heel groot stuk uit je leven.

Verder waren er natuurlijk nog de schoolreisjes. Vanaf de 4e klas mocht je dan mee. Ook waren er diverse filmmiddagen op woensdag. Alles bij elkaar was het een mooie tijd en denk er nog met veel plezier aan terug.

Kees Wittenbols, Maart 2006