|
Dit verhaaltje heb ik genoemd: “Naar het Mastbos toe”, maar het had net zo goed kunnen heten: “een bezoekje brengen aan onze achtertuin”. In een van mijn vorige verhalen kwam het Mastbos al wel eens ter sprake. Ik ga er nu toch iets meer over vertellen.
Toen we allemaal ouder begonnen te worden werden we langzamerhand nieuwsgierig wat er buiten onze buurt zoal te zien was. Tot een jaar of acht kwamen we niet verder dan het van Sonsbeeckpark en het Boeimeerveldje. Maar onze ogen zagen toen al wel dat de wereld hier niet ophield. Elk mens is van nature nou eenmaal nieuwsgierig. Ik kan nog heel goed de eerste tocht herinneren die wij met een groot aantal Oranjeboompleinbuurtjongens (meisjes mochten niet mee) maakten richting Montensbos, zonder medeweten van onze ouders. De Julianalaan kende we al wel. Daar gingen wij dan ook in. Ongeveer 400 meter verder hield Breda op en we keken over een uitgestrekt landschap en zagen in de verte een groot bos. Om daar te komen moest je door een landweggetje dat vanaf de Julianalaan begon. Volgens een oude kaart van Breda heette die de Boeimeerweg. Maar omdat het in onze ogen gewoon een pad was werd dit zandweggetje door ons al snel omgedoopt in Boeimeerpad en zo is het verder altijd in mijn geheugen blijven hangen. Ik kan nog goed herinneren dat de jongens van de familie de Widt hier ook bij waren. (Piet, Wim en Kees). Die woonden toen in de Oranjeboomstraat ’n paar huizen verder als kruidenier v.d. Maagdenberg. Hun ouders waren weer goede kennissen van onze ouders. Later is daar de familie van Beers komen wonen met hun tweeling. Het Boeimeerpad was toen naar ons gevoel een pad waar maar geen eind aan kwam. Plotseling veranderde de situatie, we kwamen in het Montensbos uit. Allemaal hoge bomen en dan zoveel bij elkaar met daartussen allemaal villa’s. Toch kwam mij deze situatie bekend voor. Ik realiseerde me toen, dat wanneer mijn ouders wel eens gingen fietsen, daar ook wel eens langs kwamen met ons als kinderen achterop. Veel verder durfden we nog niet te komen en gingen dan weer terug naar huis, dezelfde weg via het Boeimeerpad.
|
|
|
Dat smaakte natuurlijk naar meer. Onze vrijetijdsbesteding begon zich toen slechts alleen nog te richten op zulk soort uitstapjes. We gingen uiteraard steeds meer die richting uit en in een steeds wisselende samenstelling. Ik denk dat elke leeftijdgenoot van mij wel eens in zo’n groep naar het Mastbos is geweest. Een enkele keer gingen we via de Witte Brug, dat was weer eens wat anders. Achter het Montensbos had je het Mastbos en dat was veel leuker. Hier kon je gewoon inlopen en heel spannende dingen beleven. Vooralsnog verbleven we de eerste tijd nog aan de rand van het bos, waarbij we nog zicht hadden op de huizen aan de Burgemeester Kerstenslaan. Dat kwam dan ook wel goed van pas. Bij heel warme dagen in de zomer hadden we weliswaar wel drinken bij ons, in de vorm van een literfles gevuld met limonadesiroop, maar die raakte wel eens op en konden dan even bij die mensen aanbellen of hun deze fles met water wilden vullen, dan konden we daar weer ‘n tijdje mee vooruit. We hebben dikwijls daar gebeld en dat vonden ze op ’n bepaald moment niet leuk meer. Ik hoor een van die bewoners nog zeggen: “zijn jullie daar nou alweer?”. Later namen we maar meer drinken mee van huis, maar je moest dat dan wel steeds meesjouwen, immers we waren altijd te voet.
Toch, op den duur gingen we steeds verder het bos in en zo ontdekten we weer allerlei nieuwe dingen. Maar veel verder kwamen we nog niet, omdat we nog steeds te voet gingen en je moest ook nog terug. Enige tijd later toen we eindelijk in het bezit waren gekomen van een fiets, althans die daar op leek, gingen we dieper het bos in. Zo ontdekten we de Boswachterswoning, de Zeven heuveltjes, de Kogelvanger, het Eeuwig Laantje (waar maar geen eind aan kwam) en uiteindelijk de Galderse Hei. Nog iets verder had je Huis Den Deijl, maar merkten dat dit geen gelegenheid was voor ons. Wij waren zeker niet de enigen uit onze buurt die het Mastbos gingen ontdekken. We kwamen ook vaak andere groepen tegen uit andere wijken, met dezelfde bedoeling: een ander soort vertier zoeken dan alleen maar rondhangen in hun eigen wijk. Doch ging dit ’n keer goed fout. We waren met een grote groep, ik denk wel 20 man, aan de rand van de Galderse Hei een tent van takken aan het bouwen toen plotseling uit de bossen daar een groep tevoorschijn kwam, ook ’n man of twintig. Ik herkende er een paar van uit het Heuvelkwartier. Die waren met andere bedoelingen naar het Mastbos gekomen en begonnen ons uit te dagen voor een vechtpartij. De “leider” van hun groep zocht direct contact met de grootste aanwezige uit onze groep. Dat was Bram v.d. Corput, een 2 jaar oudere neef van mij, die op latere leeftijd de drankzaak “De Druiventros” opstartte. Bram was van nature zeker geen vechtersbaas en had geen zin in een vervelende confrontatie. Doch werd hij vastgepakt en er onstond een worsteling. Plotseling verscheen er een volwassene uit de bosjes en riep uit alle macht: “wat is hier gaande”? Dit klonk verbaal zo indringend dat de gehele vijandige groep het op een lopen zette. Ik weet nog dat die man zei dat hij een Hagenaar was en een dagje voor zijn rust naar het Mastbos was gekomen, wat trouwens vele Zuid-Hollanders in die tijd deden. Bram hield hier een flink blauw oog aan over en we zijn toen maar weer op de fiets naar huis gegaan. Ik kan nog herinneren dat ik toen met de step was. Maar het heeft ons nooit van weerhouden om daar steeds naar toe te gaan.
|
|
|
Op den duur gingen we wat spannendere dingen doen. Die weg langs het Boeimeerpad en de Witte Brug hadden we zo langzamerhand wel genoeg gezien. We hadden toen ontdekt dat je veel sneller in het Mastbos kon komen als je dwars over de weilanden zou gaan achter het Boeimeerveldje. Daar had boer Kleemans uit de Oranjeboomstraat onder andere zijn landerijen. Tussen deze landerijen in waren ook veel sloten. Dat was weer een nieuwe uitdaging. We wisten wel dat je daar niet mocht komen, maar deden dat dus toch. Op ’n dag waren we weer op weg naar het bos. Halverwege deze tocht zag Boer Kleemans, die daar op het land bezig was, ons lopen. Hij balde zijn vuisten in de lucht en riep: “opdonderen daar” en kwam op ons af. Wij waren in een situatie verzeild geraakt dat er geen weg meer terug was, om deze “briesende stier” te ontlopen. Er was maar één keus: over een heel brede sloot springen, daarna kon je gemakkelijk ontsnappen. Die sloot was zo breed dat je van te voren kon zeggen dat je de overkant niet droog zou kunnen bereiken. Maar wat doe je in geval van nood: springen natuurlijk! Dat hebben we allemaal gedaan op eentje na. We haalden allemaal een nat pak maar we kwamen toen wel aan de overkant terecht. Ik weet nog dat Peter de Jong geen zin had om over die sloot te springen en liep terug naar de plaats waar we vandaan kwamen en liep dus recht in de armen van Boer Kleemans. Die wilde hem te lijf gaan, maar het toeval wilde dat daar ter plekke een volwassene aanwezig was die Boer Kleemans wist te overreden zijn handen thuis te laten. Althans dat vertelde Peter de Jong later. Een stuk verder staken we dan de Nieuwe Weg over ( de latere Graaf Engelbertlaan) en waren dan veel sneller in het Mastbos.
|
|
|
Wij zijn later ook nog steeds via deze landerijen gegaan maar keken eerst heel goed of Boer Kleemans daar bezig was. Overigens, deze landerijen zijn later omgetoverd in het Zaartpark. Ook kwamen we onderweg plaatsen tegen waar fruitbomen stonden, voornamelijk appels en peren. Daar konden we onze handen ook niet van afhouden en zodoende ontstond er weer een nieuwe hobby: “op de jat”! Wij werden vroeger heel boos als de “Westeinders” bij ons kersen en perziken probeerden te pikken, maar wij als kinderen deden precies hetzelfde weer bij anderen. Dat was gewoon een spannend tijdverdrijf.
|
|