Ik kreeg eens een steen tegen mijn hoofd


Het zal geweest zijn, zo ongeveer 1952. Mijn vader werkte in die tijd buiten de stad en was ergens in de kost. Zaterdags tegen de avond kwam hij dan weer naar huis, om dan ’s maandags weer met de eerste trein terug te gaan. Hoewel hij meestal op dezelfde tijd thuis arriveerde, miste hij natuurlijk nog weleens de trein en dan werd het uiteraard wat later. Maar goed, ik vond het altijd leuk om hem tegemoet te gaan. Vaak was het dan zo halverwege de Tramsingel dat hij met zijn fiets kwam aanrijden en dat was toch weer een fijn gevoel hem weer te zien. Ik mocht dan voorop op de buis zitten en vaak was het al schemerig, zodat hij z’n licht aan had staan. Dat vond ik altijd prachtig om naar die koplamp te kijken, want er zat zo’n venstertje in die koplamp, waar dan ook wat licht uitkwam. Een soortement van schemerlampje zeg maar, op de voor mij ‘veiligvoelende’ fiets bij mijn vader voorop. Doch, zoals ik al zei, het gebeurde weleens dat ie toch de trein had gemist en als het dan te donker ging worden, ging ik toch maar snel naar huis. Maar ik bleef dan nog wel een beetje in de buurt rondhangen, want ik wist toch wel precies waar hij langs zou rijden. Hij reed vanuit de Tramsingel altijd rechtdoor de Weerijssingel op en nam dan daarna de Jeroen Boschstraat en zo reed hij dan naar ons huis in de Oranjeboomstraat. Je moet er maar opkomen? Maar toch deed hij het altijd zo. Dus ik bleef ondanks het al bijna donker was maar ’n beetje kuieren in de Jeroen Boschstraat. Het was overigens muisstil in de straat. Toch zag ik daar een fietser aankomen en deze stapte in de buurt van mij af en zette daar zijn fiets ergens tegen een heg aan. Daar is natuurlijk niks bijzonders aan, maar toch kwam hij enigszins naar mij toegelopen en vroeg plotseling wat ik op die tijd nog op straat deed. Een kind vertelt natuurlijk altijd de waarheid en zei tegen hem dat ik op mijn vader stond te wachten en elk moment eraan kon komen. Even was het stil. Ik zag hem toen bukken, vermoedelijk om iets op te rapen en zonder enige aanleiding gooide hij met alle geweld iets naar mij toe. Het bleek een steen te zijn en die kwam tegen mijn gezicht aan en ik begon vreselijk hard te brullen. Mijn gezicht zat gelijk helemaal onder het bloed en ben toen hard naar huis gerend. Als een haas ging hij er toen vandoor. Ik weet nog dat hij vrij groot was en had een lichte lange regenjas aan. Ik hoor nog dat geknisper van die jas toen hij naar zijn fiets rende en er toen vandoor ging. Nog steeds moet ik aan die vervelende situatie terugdenken als ik iemand zie met een lange lichte regenjas aan en ook als ik weleens door de Jeroen Boschstraat loop of rijd. Ik kan nu nog steeds de plek aanwijzen waar dat toen gebeurde. Ook heb ik nog steeds die vraag: waarom deed die man dat? Wat was zijn reden? Maar dat zal ik wel nooit te weten komen. Als hij nu nog leeft en hij leest dit verhaaltje, hoop ik dat ie toch nog even ‘tekst en uitleg’ geeft!

 

Kees Wittenbols, Februari 2007