|
In de beginjaren vijftig was er een Gemeentelijke Organisatie in Breda, die in de grote vakantie voor de jonge schoolkinderen uitstapjes organiseerde. Deze uitstapjes bestonden voornamelijk uit tochtjes, niet ver uit de buurt, naar plekken waar kinderen aangenaam konden verblijven. Kapelaan Knipscheer van de Laurentiuskerk uit het Ginneken was een van de organisatoren. Twee soorten uitstapjes kan ik nog goed herinneren. Een dagje naar Zwembad Surae of naar die zandberg in de Seterse Bossen aan de Hoevestraat, die loopt van Dorst naar Oosterhout en dan ’n paar keer per week. Ikzelf heb Surae nooit gezien, maar des temeer die zandberg. Maar dat vond ik geen probleem, het was goed vertoeven daar. Ik ben er van overtuigd dat alle Oranjeboompleinbuurtbewoners van ongeveer mijn leeftijd daar wel eens zijn geweest.
Het ging hier vooral om de kinderen uit de 1e tot en met de 3e klas van de Lagere School, de hele kleintjes dus. Ik ben daar een aantal keren geweest. Alleen die ene keer vond ik héél bijzonder. We gingen met de trein! Toen we op het stationsplein in Breda aankwamen met honderden kinderen uit onze buurt en omgeving, stond daar de trein al klaar. Die trein was een stoomlocomotief en een groot aantal goederenwagons daarachter. Daar moesten wij inkruipen. Er was ruimte genoeg en het werd een geweldige ervaring. Toen gingen we op weg richting Dorst. Vlak voor Dorst stopte de trein en moesten daar allemaal uitstappen. We stapten over de rails naar een pad toe die aansluiting gaf tot de Seterse Bossen. Zo begonnen wij met een voettocht dwars door deze bossen richting zandberg. Iedereen had een tas bij zich waar eten, drinken en speelgoed in zat voor een aangename dag op die berg.
Er was natuurlijk veel begeleiding bij. We liepen door het bos over een heel smal pad, dat daar uit zou komen. Een van de kinderen vroeg aan de juffrouw of dat pad er speciaal voor was gemaakt. De juffrouw antwoordde toen: dit noemen ze een olifantenpad. Ik begreep dat verkeerd en dacht dat er wellicht olifanten in dit bos rond zouden kunnen lopen en werd daar angstig van. Ik zag in gedachten steeds een olifant op ons afkomen. Ik begreep later heel goed, als je een kind iets vertelt, leg het dan wel goed uit!, want het wordt gauw verkeerd begrepen.
Toen we daar aankwamen krioelde het al van de kinderen. Je kon nog nauwelijks een plekje vinden om daar te gaan zitten. Je moest er ten slotte wel de gehele dag verblijven. Heel de dag dus met een emmertje en schep in de weer. Verkeer kwam er daar nauwelijks langs, bovendien was het toen nog een zandweg. Een stukje verderop liep een spoorlijntje. Dat spoorlijntje was een verbinding tussen de leemputten en de steenfabriek van Dorst. Regelmatig kwam er dan zo’n treintje langs. Een kleine open stoomlocomotief met van die “kip-wagonnetjes” erachter. We hoorden deze al ruim van te voren aankomen en renden dan met z’n allen daar naar toe. Er waren natuurlijk ook kinderen bij die het niet konden laten om kwajongensstreken uit te halen en gooiden dan een hoeveel zand op die rails, zodat als het treintje er weer aankwam moest stoppen en de machinist al dat zand moest weghalen. De kinderen stonden dan van afstand te kijken en hadden dan de grootste lol. De machinist kon dan erg boos worden. |
|