terug naar overzicht bewoners jaren 50
vanaf de Vincent v. Goghstraat tot Oranjeboomplein

Te beginnen aan het einde van ‘ons’ stukje op de nr. 20 en 22 waar het grote huis van de Fam. Husson stond tezamen met hun pettenfabriek. De familie Husson was een geval apart. Ze hadden 15 kinderen. Allemaal kende ik ze natuurlijk niet want er zaten nogal wat jaartjes tussen. Aan mevr. Husson was echter niet aan te zien dat zij moeder was van een dergelijke grote kinderschaar.

Eerst de oudste en zo naar de jongste Adrie, Frans (broeder), Toos,Bert, Kees, Anja, Ton, Leo, Leny ,Huub, Rian,Jos, Nico, Jolanda en Eric. (bijdrage: Kees Copal, Ad van den Wijngaart)

Ze zag er altijd netjes en verzorgd uit en ook haar voorkomen deed niet vermoeden dat zij zovele kinderen had gebaard. Haar oudste dochter Toos was eigenlijk de 1e stuurman aan boord van deze familie, die was de ‘uitvoerende macht’. Vader Husson besteedde zijn tijd aan de fabriek en spottend zeiden wij weleens aan het maken van kindjes. Het was geen prettige of spraakzame man in onze ogen, maar hij scheen maagpatiënt te zijn en had derhalve veel last van pijn. Div. van hun nazaten hebben wij goed gekend. Alleen een van de oudste zonen was ook ‘broeder’ geworden in een of andere r.k. congregatie. Dan had je Kees, die heb ik later ooit eens als politieagent gezien. Bert, Ton en Anja waren al een beetje richting mijn leeftijd. Leo en Huub waren wat jonger, maar de rest ben ik echt vergeten.

  • Janus Husson
  • Toos Husson-Stienen

De fabriek is in 1944 opgericht door Janus Husson en zijn zoon Frans. De 27 personeelsleden zorgden ervoor dat er jaarlijks zo'n 50.000 tot 80.000 petten het atelier verlieten. Later liepen de werkzaamheden in het atelier wat terug en werden de petten voornamelijk door thuiswerksters vervaardigd. In september 1987 is het bedrijf gesloten . (bijdrage: Rien van Ginneken)

Naast dat grote witte pand van Husson had je een poort waarachter een bedrijf lag, de Brabantse Motoren revisie. Men herstelde daar automotoren en er was een klein kantoortje en uiteraard een werkplaats.

Dan kwam de groentewinkel van de Fam. Kruijssen, op nr. 24 of ze kinderen hadden weet ik niet althans niet zichtbaar in ‘mijn’ tijd. Man en vrouw werkten samen in de winkel.  Op nr. 26 woonde en woont geloof ik nog de familie Vos van de aan de overzijde gelegen garage Oveka. Henk, Rietje en Gerrit waren de 3 kinderen van Familie Vos.

Hiernaast op nr. 24 woonde kapper Speekenbrink, een vrij groot gezin, alleen Hans de oudste zoon en Mieke de oudste dochter kan ik me nog herinneren. Kapper Speekenbrink had vroeger ook een kapsalon aan huis maar is later kapper geworden in de gevangenis en hij knipte ook overledenen zoals ik al in een ander verhaaltje had aangegeven. Daarnaast woonde op nr. 30 een alleenstaande vrouw, wellicht weduwe, genaamd: Aarts. Een vrouwtje met weinig contacten en geen kinderen thuis althans.

Dan loopt de bebouwing een beetje in en had/heb je twee gelijksoortige huizen met op nr. 32 de Fam. De Ruyter, met dochter Jacqueline en zoon, Ben, aardige vent en een oude oma inwonend, oma Kip, geen bijnaam, dat bleek haar echte naam te zijn! Later bedenk je, ach, wat kunnen kinderen hard zijn, want alleen die naam was natuurlijk goed voor de nodige grappen. De heer de Ruyter had een groothandel bekend onder de naam de Massieve en was gespecialiseerd in lampen en verlichting.

Naast hen op nr. 30 had je een gepensioneerde adjudant wonen genaamd Loontjens, een voor mij en veel jeugd overigens, narrige en stugge man, echt militaristisch, zijn vrouw was een stuk aardiger en ze hadden (geloof ik) 2 oudere kinderen. Met de buurt hadden ze in ieder geval weinig tot geen contact. Dat waren toch wel meer mensen in die tijd. Erg op zichzelf en hooguit een groet en meer niet.

Daarnaast woonden de Fam. van der Hoeven, met de bijnaam: de Kromme, de heer van der Hoeven was invalide en kon slecht lopen. Hij was kleermaker van beroep, zelfstandig en ze hadden  minimaal een zoon en een dochter, die laatste was erg actief in de padvinderijbeweging. Meer over deze familie kunt u lezen in het verhaaltje ”familievetes”.

Dan kreeg je het enige bovenhuis in dat stukje nr. 38a , tevens het enige huurhuis. Daar woonden een vrij jong maar kinderloos echtpaar, de naam is me ontschoten. U kent het wel, noem me een lettergreep en ik vul ’t weer zo in. Deze mensen hadden ook weinig tot geen contacten in de buurt en waren door de jeugd althans niet erg gezien.  Het huis behoorde toe aan de Fam. Luijten die op nr. 38 woonde en die had ik al uitgebreid in een ander verhaaltje aan bod laten komen. Met 6 kinderen waarvan 3 jongens, die alle drie in het klooster zijn gegaan en ‘broeder’ zijn geworden, eentje is er nogal vroeg teruggekomen nadat hij een paar jaar in de ‘missie’ had gewerkt, maar met een inlandse schone. Weinig ‘broeder’ dus meer. De drie dochters, daarvan zijn er twee getrouwd en een, Bep genaamd, is bij mijn weten tot aan haar dood thuis gebleven en heeft voor haar moeder gezorgd die erg oud is geworden. Zijzelf is ongehuwd gebleven en later naar het Ginneken verhuisd. De Heer Luijten, eigenaar van de achterliggende timmerfabriek is vrij vroeg gestorven. Mevrouw Luijten was een schat, maar de heer Luijten, ik kende hem amper, zo vroeg gaf hij de pijp al aan Maarten, dat was een knorrepot. Hij verzamelde postzegels en ik was er eens als kind en er bleef toevallig een afgescheurd stukje papier met daarop 2 postzegels van 2 cent hangen aan mijn pluizige trui, dit terwijl de tafel vol lag met onafgeweekte zegels. De man beschuldigde mij dat ik deze postzegels wilde ontvreemden. Nou, van dat soort had ik er zelf tientallen, volkomen waardeloos, maar ik werd door hem weg gezet als dief. Dat heb ik nimmer vergeten! Want het was niet waar dat ik dit opzettelijk gedaan had. Maar daar tegenover stonden de zeer vele aardige dingen van zijn vrouw.

Dan had je op nr. 40 de Fam. Verdaasdonk die later zijn verhuisd naar de Rubensstraat 29 met twee kinderen Jack die is kapper geworden en Rinie, een dochter, die is naar het westen verhuisd. Ook over hen kunt u meer lezen in het stukje familievetes elders op deze site.  De heer Verdaasdonk was werkzaam bij Raming in de binnenstad en later als portier bij de B.B.A. op de hoek van de Tramsingel/Beekstraat.

Tijdens mijn jeugd is daar in dat huis de familie Jaski komen wonen, eveneens een gepensioneerd adjudant van het leger. Best een grappige aardige man, maar wij plaagden hem weleens, maar dat was vieze versa. Hij had een dochter en die was getrouwd met de eigenaar van een later uitgebrande restaurant en uitspanning aan de rand van de Veluwe vlak bij Dieren. Mevrouw Jaski was erg lang en broodmager maar vol met humor en een van de weinigen niet katholieken in de buurt. Maar gelukkig gaf dat geen enkel probleem.

Op nr. 42 woonde een familie van Elewout, man, vrouw en twee dochters met een inwonende opa, opa Kees, die zijn broer woonde trouwens recht tegenover hem maar ze hadden niet bijster veel contact met elkaar. Opa Kees was vrij in zichzelf gekeerd. Zoon Koos werkte bij de Rotterdamse bank aan de Coolsingel in Rotterdam.

Op nr. 44 woonde de familie Videler, de heer Bertus Videler werkte als kachelsmid/elektricien bij de Fa. Frans Verheijen, een gerenommeerde zaak in de Veemarktstraat in de stad en zijn vrouw Tilly had naast het gezin de zorg voor een drietal kostgangers. Zij woonde daar al sinds haar vader het huis had laten bouwen in de twintiger jaren.  Later is Bertus wegens rugklachten een andere baan gaan zoeken en is terecht gekomen bij Justitie als bewaarder dit tot zijn pensioen.  Bertus Videler is op exact 80 jarige leeftijd plotsklaps binnen enkele uren overleden in Zwolle (1992) en Tilly is overleden in 1989 na een dertienjarig ziekbed in een verpleegtehuis. Ondergetekende is hun nazaat.  Naast mijn ouders en de kostgangers hadden we tot 1957 ook nog een prachtexemplaar van een oudtante in huis. Die had al jaren samengewoond met haar broer, mijn opa, zij was ongetrouwd gebleven echter niet altijd even braaf…want ze had een zoon in Amsterdam en geen man!! Uiteraard werd toen alles voor mij zoveel mogelijk verborgen gehouden, ik mocht eens de waarheid leren. Haha!  Die tante, Cornelia genaamd, lag na haar overlijden in de kist zoals de life ook was geweest: met een verbeten trek rond de bek, de afleggers hadden hun werk goed gedaan. Vakmanschap is meesterschap. Ook in deze branche.  Achteraf en veel later ben ik bekend geworden met het ware verhaal en nu kan ik het begrijpen, het was een leven van deze oudtante waar men  zeker niet jaloers op hoefde te zijn. Zo zie je maar weer hoe gauw je kunt oordelen. Zo zullen er zijn die zich mij b.v. anders herinneren, deze site is niet de geijkte plaats om tekst en uitleg te geven. Maar niemand, in Breda althans, kent de echte waarheid omtrent alles.

Op nr. 46, het laatste huis van deze rij woonde de familie van der Griendt. De heer van der Griendt, Freek, was werkzaam als voorman bij BACKER EN RUEB en was daarnaast, dus privé, een niet onverdienstelijk amateur schilder. Dina, zijn vrouw was duidelijk de baas in huis en ze hadden 6 kinderen maar allemaal een stuk ouder dan ik.

Zo had je Gerard, die was al met een priesteropleiding bezig in Heverlee (B) toen ik nog de striemen van de luiers in mijn kont had staan.  Later gehoord dat hij ook geen priester meer was trouwens. Tja, wijsheid komt met de jaren! En broer Freek, genoemd naar zijn vader, getrouwd en ook met al kleine kinderen, woonde in Rotterdam. Dan een dochter , genaamd Gessie, woonde in het net nieuwe Brabantpark met man en kinderen en een dochter Atie was getrouwd met een zoon van kapper Peeters aan de Haagweg, deze jongeman is echter vroeg omgekomen met een ongeluk. Heel jammer want het was een leuke sympathieke vent. Dan had je nog Suzie die werkte als secretaresse bij de FAAM en was mijn grootste snoepleverancier. Hun getrouwde dochter Riet woonde al in Oosterhout. Dan was er ook nog een oma inwonend, bij mij beter bekend als tante Marie, over de 100 jaar is ze geworden en als kind kon ik het reuze leuk met die oude dame vinden. Zeldzaam ondanks het leeftijdsverschil. Die had weinig last van Alzheimer!!! Na het overlijden van zowel Freek als veel later zijn vrouw is er ene van Groesen komen wonen, een der zonen van de van Groesen die ik ook elders vernoemd heb en die schuin tegenover de kerk woonachtig waren achter in de Oranjeboomstraat.

Op nr. 50 woonde de Fam. v.d. Ende, met 3 zonen en dochter Jeanne.

Dan de overzijde: Op nr. 75 woonden de familie Kleemans of liever gezegd boer Kleemans, elders reeds vernoemd. Hij was niet de sympathiekste boer die ik ooit ontmoet had en heel, heel erg zuinig en gierig. Met twee kinderen Jo en André, André daar had ik een broertje aan dood, die had ik eens betrapt bij het vreselijk schoppen naar zijn paard, terwijl dat beestje in getuigd stond voor een wagen. Woest was ik als kind en ik kon niets uitrichten. Hij is later getrouwd en (gelukkig) verhuisd naar Galder. Hun dochter Jo is getrouwd met wielerfanaat HARRIE VOESENEK die op de bank werkte (vroeger v. Mierlo, later ABN) Bij mijn weten wonen ze daar nog. Ze hebben twee kinderen een zoon en een dochter.

Naast de ruime gang die toegang geeft tot nog een stukje land schuin achter de boerderij waren een aantal woningen met z.g. bovenhuizen. Te beginnen met nr. 73 daar woonde schilder van Gageldonk, een kinderloos echtpaar. Ik dacht daarboven of schuin daarboven op 73 a of 75 a woonde de Fam. Mijnsbrugge met twee zonen. Op nr.71 a woonde de heer en mevr. v. Elewout (Opa Henk) een zeer goedmoedig, altijd even vriendelijk toen al stokoud echtpaar. Ze vielen op door hun vriendelijkheid. Of ze kinderen hadden is mij onbekend. Daaronder op nr. 71 dat ben ik even kwijt. Dan had je 4 huizen, 2 benedenhuizen en 2 bovenhuizen waarvan de eigenaresse in een der 4 huizen woonachtig was. Een alleenstaande wat oudere vrouw. Haar naam weet ik niet meer. Ze had ook met haast niemand contact en leefde erg teruggetrokken. Maar de namen van haar huurders herinner ik me des te beter: De Fam. Koeleman met zoon Nico. Vader was postbode. Leuke vent met een heel bezorgde vrouw. Op nr. 69 de familie Kliniweski. Hij, een Pool, oorspronkelijk uit Poznan, (Polen) achtergebleven na de bevrijding van Breda op het einde v.d. 2e wereldoorlog. Zij, kwam oorspronkelijk uit de Gerardus Majella buurt bij de Markendaalseweg. Er waren 2 dochters: Els en Corrie. Later verhuisd naar het Heuvelkwartier. Daarboven woonde de Fam. Koenraads, Sjef en Sjaan. Sjef, de heer Koenraads was werkzaam bij HISPANO SUISSE en in de weekend kluste hij bij als kelner in het Ginneken.  Een van de vrolijkste buurtbewoners en altijd vol grappen. Ze hadden een mongoloïde jongen geadopteerd en zelf hadden ze ook nog 4 dochters. Sjanneke die met een jongen was getrouwd uit de Verlaatstraat, Femia en het nakomertje Anita, de op een na oudste ben ik vergeten.

Dan komt er een stuk van nr. 65 tot en met het einde bij kruidenier van IJll nr. 45, op de hoek v.d. Vincent van Goghstraat waarvan ik me nog wel de gezichten voor de geest kan halen maar de namen ben ik grotendeels vergeten.

Enkele lukt toch nog wel: Nr. 65a de Fam. Bula, ook van Poolse afkomst, en zoals zo velen van zijn strijdmakkers noodgedwongen ook in Nederland (moeten) blijven, gezien de politieke toestanden in zijn land van oorsprong. Hij kwam uit de stad Katowice. Tjonge wat waren die mensen wat we weleens noemden: “poep”-katholiek. Hij was overigens best aardig maar had weinig contact met de rest v.d. buurt. Hun twee dochters waarvan ik me Agnes nog goed kan herinneren des te meer.

aanvulling Ryanne Touw: “De heer Bula heeft ons lange tijd naar het vakantie adres in Oegstgeest bij een zus van pa mogen rijden van de directie van WAGEMAKERS. (Teolin) Een auto hadden wij toen nog niet en pa moest in dringende gevallen direct bereikbaar zijn; vakantie of niet. Wij (Ryanne, Daan en Marielle) vonden het maar wat tof en interessant om gereden te worden door een heer in pak met pet op. De laatste keer, nu al weer vier jaar geleden, hebben wij hem gesproken tijdens de crematie van mijn vader. Hij verandert niets en zijn Nederlands is er niet bijzonder op vooruit gegaan; toch wel charmant ( de heer Bula was van Poolse afkomst, red.) De heer Bula woont thans op het Gerrit Rietveldplein in Breda.

Dan op ik geloof nr. 63 had je de Fam. Metz met hun zoon Jan. Een beetje apart type, maar wel een geschikte vent. Dan had je nog de Fam.v.Kommeren en ene Mevr. Schoormans, een weduwe ik geloof op nr. 61a. Het stukje vanaf dit nummer tot het einde was me qua namen onbekend. Je had nog een boerderij van een wat duister soort boer,waarvoor werd gewaarschuwd! En dan natuurlijk de garage van Oveka, iets verder een behangwinkeltje van een man die vroeger in de Vestkant had gewoond en toen der tijd fanatiek lid was van de Jehovah’s Getuigen. Wee je gebeente als je er behang durfde te kopen of zelfs maar een pakje plaksel, je kreeg een hele preek gratis en voor niks mee! Dat was dus maar een eindje verder lopen naar de Nwe. Haagdijk!

Dan kende ik nog ene mevrouw Adank, een alleenstaande en al vrije oudere mevrouw en dan de anderen; maar zoals gezegd, helaas die namen zijn me ontschoten.

Als sluitstuk de kruidenierswinkel van IJll, Hij werkte als kelner aan de Teteringenstraat .