terug naar overzicht bewoners jaren 50
Op 14 september 2005 hebben de webmaster van de site van de Oranjeboompleinbuurt: Ton Damen en ik een wandeling gemaakt door deze Oranjeboompleinbuurt. Het ging erom dat ik de voormalige winkels zou aanwijzen en hij maakte daar dan steeds foto’s van. Dat was dus ’n mooi begin om de net opgestarte site al enige vorm te laten geven, voor wat de historie betreft. Het was voor mijzelf zeker zo’n 40 jaar geleden dat ik er weer eens echt doorheen wandelde. Dat was toch wel even een vreemde gewaarwording. Ik zag alleen maar bekende dingen alsof ik er nooit was weggeweest. Bijna niets was er veranderd. Het enige wat ik miste waren de mensen van vroeger. Geen bekenden meer te zien. Maar ja, wat wil je na 40 jaar. Toch wonen er nog wel ‘n paar naar dat ik weet, maar kwam ze niet tegen. Het zijn uiteraard alleen nog de oudbewoners die in hun buurtverhalen nog wel eens mensen vernoemen die daar toen woonden en leefden. Dit bracht mij op het idee om ze allemaal even onder de ‘loep’ te nemen. Over veel van deze oudbewoners weet ik er ook nog wel iets bij te vertellen. Of  het merendeel van deze mensen wonen nu ergens anders, of zijn reeds (lang) overleden en dan toch zeker de mensen uit de negentiende eeuw. Dat waren er toch wel heel veel. Ze zijn er dan wel niet meer, maar ik ben ze zeker nog niet vergeten! Het gaat om situaties, nu zo’n 50 jaar geleden. Gaat u er maar even rustig voor zitten.

Ik begin met de even nummers:

Ik kan uiteraard niet alle namen meer herinneren, maar toch nog wel tegen de 90 procent aan. De meeste mensen woonden hier al van vóór de Tweede Wereldoorlog en nog tot ver in de jaren 70. Er woonden dus ook veel ouderen, die de leeftijd hadden van mijn oma. Te beginnen bij de familie van Duuren: die hadden een oudijzerhandel op de hoek van de Oranjeboomstraat en Oosterstraat op nummer 92. Achter hun woning hadden ze ’n flinke opslagplaats en het oudijzer en papier lag hier meters hoog opgestapeld. Op hun terrein hadden ze ook ’n schuurtje staan dat diende als kantoor. Je had vader en moeder van Duuren en de kinderen: Koos, Ria en Jan(tje). De vader heette ook Jan. Een begrip in Breda was: als je iets niet meer kon gebruiken, dan kon je dat altijd nog naar: ‘Jantje van Duuren’ brengen, net zoals destijds: ‘De Fok,’ (oudijzerhandel Fokkema, Haagweg). De zaak heeft in de jaren 50 ook ’n keer flink in de ‘fik’ gestaan. Het vermoeden bestond dat mijn jongere broer Mario, samen met Jantje van Duuren (zij waren vriendjes) daar op dat terrein met lucifers hadden zitten spelen en het daardoor dus ’n beetje uit de hand liep. Maar dat is nooit bewezen. De familie van Duuren was ook een van de eerste die een luxe auto voor hun deur hadden staan. Ik weet niet wat voor merk, maar ik kan hem nog wel voor de geest halen. Hij had een Bordeauxrode kleur. Later hebben ze de beganegrond van hun woning nog ‘omgetoverd’ in een verkoopruimte voor antiek. Ik weet alleen niet meer toen ik in 1967 wegging uit de Oranjeboomstraat of het bedrijf nog bestond.

Naast hun, op nummer 90, woonde de familie van Emmerik. Vader, moeder en zoon Nico. Nico zat nog bij mijn oudste broer in de klas en is van ca. 1938. Nico is getrouwd en woont momenteel in de Zeisstraat. Zijn dochter Nicole heeft nog ’n tijdje verkering gehad met de broer van mijn schoonzoon. Wie op nummer 88 woonde weet ik even niet meer. Op nummer 86 woonde de familie van Ginneken. Vader, moeder en de kinderen: Annie, Rien en Marian. Rien heeft ook nog op de site van de Oranjeboompleinbuurt ’n aardig buurtverhaaltje geplaatst. Rien en ik trokken vroeger vaak met elkaar op. Ik had al ’n keer geschreven dat de vader van Rien van Ginneken, zowat ‘recordhouder erwten lezen’ is geweest. De oudste dochter (Annie) is later met Adri Husson getrouwd (en nog steeds) van de voormalige pettenfabriek uit de Oranjeboomstraat. Rien is later leraar geworden en is reeds met de VUT. Later is daar de familie van Riel komen wonen. Vader, moeder en Kees. Zij hadden ook nog een nakomelingetje, maar die was met ernstige lichamelijke en geestelijke afwijkingen ter wereld gekomen en heeft maar enkele jaren geleefd. Kees was van mijn leeftijd. Op nummer 84 woonde de familie de Jong. Vader, moeder en de kinderen Willy, Nelly en Peter. Willy en Nelly vormden destijds het bekende zangduo: THE YOUNG SISTERS. De dochter van Nelly is Maxime, die heeft enkele jaren geleden Nederland nog vertegenwoordigd op het Eurovisiesongfestival. Zij bereikte toen samen met Franklin Brown in Oslo de zevende plaats. Peter was mijn beste vriend en is later kapper geworden. Hij heeft momenteel nog een kapsalon in de Mauritsstraat, alwaar ik me nog steeds laat knippen. Ik meen dat zijn zoon de zaak reeds heeft overgenomen (óók kapper dus) en Peter springt alleen nog bij tijdens drukke momenten. De familie de Jong was een van de eerste in ons stukje straat die een televisie hadden. Het was ’n heel grote kast, met een ‘piepklein’ scherm én dat hebben ze geweten! Iedere avond zat de huiskamer vol met vrienden, kennissen, familie en buurtgenoten die daar naar de televisie kwamen kijken. Er gold maar een ‘regel’ daar en dat was: een ieder die aanbelde mocht binnenkomen en de avond doorbrengen voor de televisie, kopje koffie, koekje erbij, alles kon daar. Een zoete inval ten top! Ik denk het gezelligste gezin van de hele buurt! In de voorkamer zaten dan de tv-kijkers en in de achterkamer waren ze dan vaak met muziek bezig. Een man of dertig in huis dat was daar normaal. Voor een bijdrage in de kosten hadden ze een speciaal potje op de televisie staan alwaar je wat kleingeld in kon stoppen. Dit was in die tijd een heel bekend verschijnsel.

Op nummer 82 woonde de familie Dings. Die hadden inmiddels de leeftijd van zo’n 65 jaar. Ze hadden in ieder geval ’n zoon, die ik eigenlijk nooit goed heb gekend en ’n dochter Riet. Die was inmiddels ook al getrouwd en kreeg later 2 dochters. Toevallig werden wij buren toen ik in 1976 van Etten-Leur naar de Baliëndijk verhuisde. Zij was inmiddels gescheiden en woonde samen met een nogal ‘dorstlustige’ vriend, die enigszins lichamelijk gehandicapt was en een tijdje later werd ‘ingeruild’ voor een zeer onsympathieke persoonlijkheid uit het ‘slagersgeslacht’ van de familie Kouwenberg, maar zij lustte ook wel ’n borreltje. Jammer genoeg hadden wij geen goed contact. De oude mevrouw Dings is wel eens aangereden door een vrachtwagen, die van de Oranjeboomstraat de Verlaatstraat indraaide. Ze kwam net van Bakkerij van Gurp vandaan. Gelukkig hield ze er slechts ’n gescheurde lip aan over. Naast de familie Dings, op nummer 80 en 78 woonden respectievelijk de familie de Jong en een familie de Jong/Vergouwen. Wij hadden daar vroeger geen contact mee. Waar ik wat over kan vertellen is over Dimphy de Jong. Zij had ’n aangeboren afwijking aan haar stembanden (of gehemelte). Zij kon alleen maar geluid voortbrengen in de vorm van “uhhhh.” Ze had altijd een of meerdere zakdoeken bij zich, want ze ‘kwijlde’ (of is het nou ‘zeveren?,’ ik kan daar geen mooi woord voor bedenken) aan de lopende band. Heel erg natuurlijk, want het was best ’n aardige vrouw. Toen ik ’n paar jaar geleden toevallig door de Oranjeboomstraat fietste zag ik haar nog lopen. Het is goed mogelijk dat ze nog leeft en daar nog woont. Ik denk dat een van de heren de Jong gasopnemer was in die tijd, want hij liep bijna altijd in zo’n uniform. Ik kan ook nog wel Jan de Jong herinneren, die was toen ’n jaar of twintig. Alleen van welke van de twee families de Jong weet ik niet meer. Ook woonde daar een vrouw: de Jong of Vergouwen, die mij altijd heel vriendelijk begroette als ik daar voorbijkwam. Ik kan nog herinneren dat mijn moeder het altijd over een vrouw had daar uit de buurt en die noemde ze “kop en kont.” Ik begreep nooit wat of wie ze daar mee bedoelde. Op ’n keer kwam ze toevallig voorbijgelopen, toen mijn moeder plotseling zei: “hé, daar heb je kop en kont!” Het was inderdaad een wat gedrongen en kleine vrouw. Maar ik merkte dat mijn moeder wel voor meer mensen ’n bijnaam had. Ik denk dat in vroegere tijden bijnamen een normaal verschijnsel was, dus kon je het haar niet echt kwalijk nemen. Ik hoorde later ook wel eens andere mensen ‘kop en kont’ zeggen. Je had dus 3 families de Jong vlak bij elkaar wonen (geen familie overigens) waarvan één: de Jong/Vergouwen. Ik weet nog dat een oudere broer van mij daar een woordspeling op had gemaakt: “Er wonen daar 3 jonge en 1 (verg)ouwe naast elkaar.” Op nummer 76 woonde de familie van Dongen. Vader, moeder en 2 dochters: Annie en Lydia. De heer van Dongen was postbeambte en liep dus bijna altijd in het traditionele postuniform (zwart pak met rode randjes en pet). De heer van Dongen is betrekkelijk vroeg overleden, ik denk nog geen vijftig. Ik weet ook nog dat Annie later op nummer 48 (op de hoek) in de Oranjeboomstraat is gaan wonen. Helaas vernam ik, zeer kort geleden, dat ze is overleden. Op nummer 74 woonde de familie Baars. De heer en mevrouw Baars waren al op respectabele leeftijd en hadden 2 dochters, die ongeveer dezelfde leeftijd hadden als mijn ouders. Die woonden nog gewoon thuis. Een van de dochters, of mogelijk allebei, was lerares. Wij hadden in het geheel geen contact met hun. Op nummer 72 woonde de familie Bastiaansen. Deze waren ook van de oude generatie, maar waren zeker ’n stuk vriendelijker.

Een dochter van hun was getrouwd met een beroepsmilitair die ’n groot deel van zijn tijd in het buitenland was gelegerd. Ik dacht zelf in Indonesie. Het toeval wilde dat hun zoon (Karel Lonkhuizen) op dezelfde dag geboren is als ik. Met de oude heer Bastiaansen heb ik nog ’n tijdje, regelmatig in zijn voorkamer, partijtjes schaak gespeeld. Hij was toen al ver in de tachtig en kwam de deur praktisch al niet meer uit. Hij keek er altijd erg naar uit als ik daarvoor langs kwam. Hij kon daar zichtbaar van genieten. Ik was toen een beginnende schaker en het was moeilijk om van hem te winnen. Maar geleidelijk aan draaide de rollen om, omdat ik inmiddels naar een schaakvereniging was gegaan en daardoor veel bijleerde. Op ’n gegeven moment kon hij niet meer van mij winnen, toen zijn we er maar mee gestopt. Op nummer 70 woonde de familie van Gorkom, vader, moeder (geweldige buurvrouw) en 3 zoons. Twee waren inmiddels al getrouwd (Theo en Cor) en Nol woonde nog thuis. Op een wat later tijdstip zijn de kinderen van Cor (Christ en Ineke) bij Oma komen inwonen. Ik weet niet of de heer van Gorkom toen nog leefde. De heer van Gorkom (onze buurman dus) had een leidinggevende functie bij de Teolin.

Op nummer 68 woonde de familie Wittenbols (wij dus). Vader, moeder en 9 zoons: (Martien, John, Ad, Kees, Ton, Loek, Mario, Henk en Ron (Martien en Mario zijn reeds overleden). Mijn vader was uitvoerder en werkte toen bij Aannemingsmaatschappij Vriens.
Vader Wittenbols in de weer met de Simca
Ineke van Gorkum heeft jarenlang naast fam. Wittenbols gewoond met leuke herinneringen zoals; de kersen boom achter in de tuin, de hond Loekie. Ook hadden jullie een zwart-witte kat. Je moeder kwam regelmatig bij onze oma en we mochten altijd gebruik maken van de telefoon. Mijn oma zij altijd "ik merkte wanneer jullie moeder weer zwanger was, want normaliter zong zij altijd het hoogste lied, doch dan was ze weer even stil". Oma had veel bewondering voor jullie moeder daar alle kinderen er altijd netjes uitzagen. Voor je broer Ad hebben we nog weleens erwten gelezen om er wat bij te verdienen.

Op nummer 66 woonde de familie Aanraadt. Die waren ook al van de oudere generatie en mogelijk dat een van hun kinderen nog thuis woonde, dat weet ik niet meer. Ad Struijs, die een buurtverhaaltje op de site van de Oranjeboompleinbuurt heeft laten plaatsen, vertelde dat een zoon op dit moment naast hem woont en inmiddels ook al tegen de tachtig is. De heer Aanraadt had ook een leidinggevende functie en wel bij de Zaanlandse Houthandel op de Haagweg. Op nummer 64 woonde de familie van Nijnatten. Vader, moeder en 2 kinderen (Miets en Piet). Miets was toen al getrouwd met ene van Rumund en woonde toen in de Oosterstraat boven de winkel van kruidenier van den Maagdenberg. Op dit moment wonen Miets en haar man op nummer 72 in de Oranjeboomstraat. Piet woonde nog thuis en had achter in de schuur een schoenmakerij. Piet was van nature doofstom, hij kon zich praktisch niet verstaanbaar maken, het geluid wat hij voortbracht klonk als: “tuttutseven,” maar kon wel heel goed liplezen. In eerste instantie is Piet, toen hij trouwde, boven gaan wonen. Na het overlijden van zijn moeder heeft hij het gehele huis tot zijn beschikking gekregen. Hij woont er nu nog steeds, als ‘krasse tachtiger.’

De heer van Nijnatten hield duiven en zoon Piet heeft deze hobby later van hem overgenomen. Menig kat van ons heeft daaraan moeten geloven, althans dat vermoeden hadden wij. Katten hadden in die tijd vrij spel en konden in- en uitlopen wanneer het hun uitkwam. Dus ’n groot gevaar voor de duivenliefhebber! en dus ook levensgevaarlijk voor de kat. Je kon dus maar beter ’n hond hebben, die bleef gewoon in de tuin en begaf zich niet op smalle muurtjes. Op nummer 62 woonde de familie Geraerds. Die zijn omstreeks 1954 daar komen wonen, daarvoor woonde de familie Dekkers, dacht ik. De samenstelling van het gezin is mij niet helemaal bekend, maar enkele mannen hadden een pannendekkersbedrijf. Ik weet nog toen ik in de vierde klas van de Lourdesschool zat, waren hun op ’n bepaald moment de dakpannen daar aan het vernieuwen. Een levensgevaarlijk karwei. Via een smal laddertje gingen ze dan het dak op, met op hun schouder een aantal dakpannen. Ik zie het nog voor me. Vanuit de klas kon je dat dan door het raam zien. Een familielid van hun: John Geraerds speelde nog in het eerste elftal van NAC. Vanaf nummer 60 tot en met 48 wordt het voor mij wat onduidelijker wie daar precies woonden. Van nummer 62 tot en met 92 weet ik het allemaal beter, want daar kwam ik ieder dag langs als ik naar school ging. De andere kant uit veel minder, vandaar…

Nummer 60 en 58 weet ik niet meer. Op nummer 56 woonde de familie Roovers. Vader, moeder en 2 kinderen: Kees en Corrie. Hun zijn ook ongeveer half in de jaren vijftig daar komen wonen. Op nummer 54 woonde de familie Vermeieren. Ook hun zijn half in de jaren vijftig pas daar komen wonen. Ze hebben gelijk de benedenverdieping toen ‘omgetoverd’ in een winkelruimte voor aardappelen, groente en fruit. Ik kan nog goed herinneren dat ze dat grote raam er aan het inzetten waren. De heer en mevrouw Vermeieren deden de winkel en een zoon assisteerde bij drukke tijden. Silvia Videler had in een van haar verhalen iets geschreven over het uiterlijk van de gebroeders van Lint uit de Verlaatstraat. Nou, deze zoon deed beslist niet voor hun onder. Even tussendoor: er is wel één voordeel als je op jonge leeftijd lelijk bent. Naarmate je ouder wordt, word je alleen maar knapper, of heb ik het mis?

aanvulling door: John Hendriks
Op huisnummer 52 van de Oranjeboomstraat hebben mijn Opa en Oma gewoont.
Natuurlijk ook mijn moeder en haar broers.De familienaam was "De Graauw".
Mijn moeder heeft samen met mij ook nog eens ergens anders in de Oranjeboomstraat gewoond.
Dat was op een bovenverdieping of bovenkamer. Zelf denk ik dat het ergens tussen de Oosterstraat en de Scheldestraat is geweest.Ik ben van het geboortejaar 1947 en ben dan ook daar in de Oranjeboomstraat geboren.
Ik was een kind voor het huwelijk. Mijn vader was voor zijn nummer in voormalig Indië, nu Indonesië.
Een broer van mijn moeder is nog naar New Zealand geïmmigreerd.
Wij zijn niet daar blijven wonen. Later toen ik groter was, ben ik nog lang bij mijn Oma gekomen.
Zo ken ik dan ook de kapper, de Kruidenier Kocks, een Bazaar op de andere hoek.

Op nummer 50 woonde de familie van den Ende(n). Vader, moeder en ’n ieder geval 3 zoons. Het staat me wel bij dat er ook meisjes waren, maar dat weet ik niet met zekerheid te zeggen. De jongens ken ik in ieder geval wel. De oudste was Joop, de middelste was Jack (die zat nog bij mij in de klas) en de jongste was Peter. Heel typisch was dat ze alle drie een bijnaam hadden, de enigen in de straat (op ‘kop en kont’ na dan). Joop was de ‘dooie,’ Jack was de ‘cactus’ en Peter was de ‘muis.’ Ze werden niet eens boos als je ze zo aansprak. Nummer 48 weet ik ook niet meer.

Nu de oneven nummers:

Te beginnen bij familie de Kock op nummer 81. De familie de Kock hadden een heel drukke kruidenierswinkel op de hoek van de Oranjeboomstraat en Oranjeboomplein, waar later Hein van Gastel zijn kapsalon had. Je had vader en moeder en 4 kinderen. De oudsten waren 2 dochters, Anneke en Bep en 2 zoons, Gert en Dick. Dick zat nog bij mij in de klas. Bij de groepsfoto’s op de site van de Oranjeboompleinbuurt kun je Gert terugvinden op de foto van koorknapen en Dick op de foto van Schiphol. Het was maar goed dat ze bij kruidenier de Kock 4 kinderen hadden, die hadden ze echt nodig om de drukte aan te kunnen. Ontzettende vriendelijke mensen waren dat. Altijd goed gehumeurd en beleefd. Wij deden daar altijd onze boodschappen. Wij hadden een notitieboekje, dat we van hun kregen, waar wij onze benodigde boodschappen in opschreven. We hoefden dat boekje alleen maar even af te geven bij hun en ’n poos later kwamen ze dan de boodschappen bij ons thuis afgeven. Een maal in de week rekenden we dan af, als mijn vader met zijn loonzakje was thuis gekomen. Ik hoor mevrouw de Kock nog zeggen “hoe blij ze was dat wij klant van hun waren in verband met ons groot gezin.” Dat gold natuurlijk ook voor de familie Husson uit de Oranjeboomstraat, want daar hadden ze er nog ’n paar meer. Gert en Dick waren ook altijd van de partij als we weer eens met vele buurtgenoten te voet naar het Mastbos gingen om daar wat vertier te zoeken (vaak via de landerijen van Boer Kleemans, heel spannend!). Op nummer 83 woonde de familie Verstrepen. Vader, moeder en 3 kinderen: Fer, Piet en John. Fer was al getrouwd. Pa Verstrepen had ook een frietkraam op de hoek van de Oranjeboomstraat en de Haagweg. Een buil friet heeft daar jaren lang 25 cent gekost en voor 5 cent meer had je er ook nog mayonaise op. Die ‘tent’ is er nu nog steeds. Zijn zoon Fer staat hier nu reeds jaren in. In eerste instantie hadden ze alleen de frietkraam, maar later, omstreeks 1955 kwamen ze in de Oranjeboomstraat wonen, alwaar hij een tabakszaakje opstartte. Bij de Kock vonden ze dat niet zo leuk, want die verkochten ook tabakswaren, dus ’n grote concurrent voor hen. Piet zorgde voor veel problemen in het gezin. Hij had geen enkele ‘toekomstvisie,’ bleek later en na enkele eerdere pogingen heeft hij zich op ca. 20-jarige leeftijd van het leven beroofd. Wij hebben nooit iets bijzonders aan Piet gemerkt, want hij trok gewoon met andere buurtgenoten op als een ieder ander. John was een leeftijdgenoot van mij en was in de wijk ook altijd van de partij. Op nummer 85 woonde de familie Martens. Daar weet ik bijna niets van. Alleen hun zoon Charles ken ik. Hij was ’n paar jaar ouder als ik en staat ook op de foto koorknapen afgebeeld. Zoals ik al ’n keer had geschreven, trokken Peter de Jong en ik vaak met elkaar op.

Het van Sonsbeeckpark was, zeker in die tijd, een prachtig oord om te verblijven. Boompje klimmen vonden wij een leuke bezigheid. Maar die bomen stonden in het gras en daar mocht je niet opkomen. Op een woensdagmiddag waren we weer fijn boompje aan het klimmen toen er plotseling een agent van Politie met zijn fiets kwam aanrijden (notabene op het voetpad!, maar ja, agenten konden immers geen bekeuring krijgen!). Die zag ons in ’n boom zitten en kwam op ons af. Wij snel eruit en op de loop. Achter de huizen van de Bernhardsingel had je ’n heel lange poort dus daar vluchtten wij in. Die agent achter ons aan. Maar doordat wij nog klein waren konden wij via de bosjes snel ontsnappen. We dachten hem dus kwijtgespeeld te hebben. Maar toevallig was Charles Martens daar ook ter plekke. De agent vroeg of hij ons kende en jawel hoor, hij gaf netjes onze namen door met adres erbij, dus we waren er ‘gloeiend’ bij. Als straf betekende dat: zonder eten naar bed en het was bovendien nog overdag. Dit was een voorval dat totaal niet meer in deze tijd zou passen. Op nummer 87 woonde de familie de Vries, vader, moeder en de kinderen Henk, Eddie en Cora. Henk was ook actief als basgitarist bij de Bredase band: THE BLUE ROCKIN’ STARS die in de beginjaren 60 flink aan de weg timmerde. Op nummer 89 woonde de familie Mulder. Ook hier ken ik alleen de zoon. Die was al veel ouder dan wij en werkte bij de elektronicazaak: Radio Actief in de Lange Brugstraat (tegenwoordig heet die zaak: Expert). Hij had een auto van de zaak, maar gebruikte deze ook voor privé-doeleinden. Die auto viel natuurlijk sterk op, omdat er nog maar weinig auto’s waren in die tijd. Ik vergeet nooit meer die oudejaarsnacht ergens in de vijftiger jaren toen tijdens het vuurwerk afsteken, hij vermoedelijk een zelfgemaakte bom liet ontploffen midden op straat. Wij waren natuurlijk ook allemaal buiten en toen we hun kant uitkeken zagen we eerst ’n heel grote steekvlam en daarna een knal alsof er een atoombomontploffing was. De ruiten in de huizen bleven er nog net inzitten. Op nummer 91 woonde de familie van Hassel. Ik kan alleen nog herinneren dat dit een heel aardige overbuurvrouw was van de oudere generatie. De heer van Hassel kan ik niet meer herinneren.

Op nummer 93 woonde de familie Klijs en op de bovenverdieping woonde een dochter van hun die was getrouwd met ene Braspenning. Opa en Oma Klijs waren dus al van de oudere generatie. Boven woonde dus vader en moeder Braspenning en de kinderen Kees, Jan en Elly. Kees en Jan hebben allebei bij mij in de 6e klas gezeten. Elly was een nakomelingetje. Jan staat ook op de foto van Schiphol en nog ergens op een klassenfoto. Kees is vrij jong overleden. Ik kwam hem later nog wel eens tegen toen onze kinderen op zwemles zaten in het Sportfondsenbad. Ik denk dat Kees niet ouder is geworden dan 35 jaar. Enkele jaren later zag ik plotseling ook een overlijdensbericht staan in de krant van Jan Braspenning, maar weet niet zeker of hij dat was. De naam Braspenning komt wel redelijk vaak voor. Maar ik hem toch nooit meer gezien. We deden nog wel in 1969 samen examen bij PBNA in Arnhem. Hij was toen tekenaar, ik dacht bij het Kadaster of bij de Waterleidingmaatschappij in Breda. Een mooi tafereel vond ik altijd dat Opa Klijs en zijn schoonzoon (die leek veel ouder dan hij was) samen op het muurtje van de tuinafscheiding aan de voorkant zaten en maar ’n beetje ‘rond’ aan het kijken waren. Een soortement van ‘baliekluiven,’ maar dan zittend. Opvallend was de heel erg dikke buik van Opa Klijs. Op nummer 95 woonde de familie De Prenter. De heer en mevrouw de Prenter waren al van respectabele leeftijd. Ik weet niet of ze kinderen hadden, zowel, dan waren ze allang de deur uit. Mijnheer de Prenter heb ik nog nooit gezien zonder pijp in zijn mond. Mevrouw de Prenter is heel erg oud geworden. Ik zag ze heel veel later ’n keer in de bus zitten en rekende toen uit dat ze al dik in de negentig moest zijn. Ze ging nog gewoon d’r eigen gangetje. Op nummer 97 woonde de familie Verschuuren, links van het poortje. De heer en mevrouw Verschuuren waren ook al van de oudere generatie en woonden dus ook alleen. Ik weet niet zoveel over hun. Het gezicht van mevrouw Verschuuren kan ik wel heel goed voor de geest halen, alszijnde een zeer opgewekte verschijning. Op nummer 99 woonde de familie de Vries. Zij waren ook van de oudere generatie en waren de opa en oma van Henk de Vries van nummer 87. Zij woonden dus rechts van het poortje. Mevrouw de Vries hield kennelijk veel van rust. Als wij door het poortje renden, dan kwam ze vaak naar buiten om te vragen of het niet wat rustiger aan kon. Dat zei ze dan op een manier dat je daar bang van werd. Wij maakten daar dan steeds ’n spelletje van, door rustig te lopen en dan luid te zingen. Dan kon ze echt heel boos worden. Vaak voetbalden wij met een aantal buurtgenoten in de brandgang tussen de Oranjeboomstraat en Rubensstraat. Die was daar lekker breed en waar je ook de bal naar toe trapte, hij kwam altijd via de muur weer terug in het veld. We waren daar dikwijls met zo’n 20 man bezig. Een kabaal was dat, ‘van hier tot ginder.’ Er was natuurlijk een probleem. Als de bal uiteindelijk ’n keer toevallig in de tuin van mevrouw de Vries was terecht gekomen, durfde niemand hem op te gaan halen. Voor de rest waren het best aardige mensen hoor! Ik weet nog dat de mijnheer de Vries een band van mijn fiets geplakt heeft, dat was min of meer een hobby van hem en vroeg daar slechts een gulden voor. Hij had mijn fiets ook nog helemaal opgepoetst. Aardig, of niet? Op nummer 101 woonde mevrouw Borsten en een gedeelte van de jaren 50 ook haar man Louis. Op nummer 103 woonde sinds 1954 de familie van son, met vader Cor, moeder Riet, de kinderen frans (1951), lieke (1953), marco (1956) en sinds 1959 marianne.Op nummer onbekend woonde de familie de Deugd, althans vanaf de beginjaren vijftig. Je had de heer en mevrouw de Deugd. Er woonde ook ’n schoonzoon van hem in, of misschien was het wel een jongere broer van zijn vrouw, waarvan ik even niet meer op de naam kan komen. Die schoonzoon had ook een zoon die Christ (dacht ik) heette en van mijn leeftijd was. Een beetje vreemd allemaal daar. Ook de manier van knippen van Jan de Deugd was ’n beetje vreemd. Volgens mij had hij dat zichzelf aangeleerd. Ad Struijs noemde hem in zijn buurtverhaal de ‘bloempotkapper’ en dat was terecht. Als je daar vandaan kwam dan kon iedereen zien dat je door Jan de Deugd was geknipt. Hij was erg goedkoop, dat trok toen dus wel nieuwe klanten. Hij had een eigenaardige manier van knippen met behulp van de tondeuse. Als je met een tondeuse werkt, dan knip je eerst af en daarna haal je dat ding pas vanaf iemands hoofd. Hij had de gewoonte om tijdens het knippen dat ding al omhoog te trekken. Dat deed heel veel pijn. Maar het was zeker wel een aardige persoonlijkheid, die ook graag een borreltje lustte. In een ander artikeltje in dit boek kom ik daar nog uitgebreid op terug. Op nummer 105 woonde de familie Elsevier. Het is dat Peter Baremans in zijn buurtverhaal hun vernoemde, anders was ik ze glad vergeten. De vader was inderdaad bakker van zijn beroep. Maar zover ik weet had hij geen bakkerij aan huis. Hij had dacht ik wel een bakfiets (of kar) waar zijn naam op stond. Het kan zijn dat hij zijn brood bij de Fa. Welten haalde en het dan langs de deur verkocht, zoiets denk ik. Dat hij varkens hield dat wist ik ook niet. Maar Peter Baremans kon natuurlijk vanuit zijn achterraam van hun woning precies in hun tuin kijken en dus zien wat daar allemaal gaande was. Ik dacht wel dat ze daar ook kinderen hadden, zowel jongens als meisjes. De naam Els zegt me wel iets. Op nummer 107 woonde de familie Janssen. Daar weet ik niet zoveel van maar dat komt wel in het volgende verhaal. Op nummer 109 woonde de familie Abbenhuis. Vader, moeder en 10 kinderen. In mijn tijd woonde alleen Loek nog thuis. De rest was al getrouwd. De heer en mevrouw Abbenhuis waren al van de oudere generatie. Mevrouw Abbenhuis heette met haar eigen naam Zodenkamp en was een zus van mijn oma, van mijn moeders kant. Dus echte familie!, een oudtante. Mevrouw Abbenhuis en haar buurvrouw Janssen leefden in onmin met elkaar. Dat ging vaak om heel kleine dingen, waar je nu om zou lachen. Maar zulke mensen bestonden er vroeger ook al. Ondanks dat gekibbel daar, raakte een van haar kinderen verliefd op de buurjongen Janssen en die kregen verkering met elkaar. Nou, dat vond mijn tante maar niks, maar ze zijn toch met elkaar getrouwd en dat werd een goed huwelijk. Als het gehele gezin daar op visite kwam, bij een verjaardag of iets dergelijks dan dacht je als voorbijganger dat ze daar een ‘kot’ vol ruzie hadden. Ze hadden daar allemaal nogal een vrij harde stem en ze praatten allemaal tegelijk, geluisterd werd er niet. De een nog harder dan de ander. Maar wel gezellig allemaal. De heer Abbenhuis werkte vroeger op de Kwatta en hij was ook vaandeldrager bij muziekvereniging de Unie. Een echte ‘gouwe peer.’ Mijn tante is overigens nog 97 jaar geworden. Nadat de familie Abbenhuis was vertrokken kwam mevrouw van Tooren uit de Oosterstraat daar te wonen. Mevrouw van Tooren had 2 kinderen, Toon en Peter. Peter zat nog bij mij in de klas.

Toon staat nog afgebeeld op een van de FOTO’S VAN DE LOURDESSCHOOL. Wie op nummer 111 woonde weet ik niet. Op nummer 113 woonde in eerste instantie de familie Jansen. Vader, moeder en dochter Riet. Hun verkochten kleinwaren op de markt. Ze gingen dan ’s morgens met een auto volgeladen met spulletjes daar weg. Het was een zeer opvallende Chevrolet en rose van kleur. Afschuwelijk die kleur. Het zou goed kunnen zijn, toen hun uit de Oranjeboomstraat vertrokken, ze de waren die ze in huis hadden opgeslagen, hebben overgedaan aan de toekomstige bewoners Jacobs, die gelijk hierna een bazaar opstartten. De familie Jacobs bestond uit: vader, moeder en 2 zoons, Fred en John. Fred zat nog bij mij in de klas. Mevrouw Jacobs kon ontzettend snel praten. Ze kon bij wijze van spreken een heel verhaal binnen 5 minuten ‘afraffelen.’ De heer Jacobs was ’n stuk rustiger. Naast Jacobs woonde de familie van Gool, die hadden een manufacturenwinkel en verkochten ook kantoorartikelen en speelgoed. Je had de heer en mevrouw van Gool en hun dochter Riet. Je had ook nog Peter, dat was volgens mij een zoon van Riet. Het pand van van Gool stond officieel in de Verlaatstraat 1A. Zo staan er op de site van de Oranjeboompleinbuurt nog een flink aantal bewoners vermeld die in de andere gedeelten van de wijk woonden. Doch hier laat ik het bij, anders wordt dit boek véél te dik!

 

Kees Wittenbols