|
Waren de straatspelletjes van vroeger eigenlijk wel zo leuk?
De meest voorkomende straatspelletjes uit de jaren vijftig waren ongetwijfeld: kuiltje knikkeren, tikkertje, rolschaatsen, steltlopen, touwtje springen, looieren, hinkelen, tollen met een zweepstokje, haktollen, diabolo, boompje verwisselen, schipper mag ik overvaren, landpikkertje, verstoppertje, foepspringen, vliegeren en vliegende brandweer.
Sommige van deze spelletjes eindigde vaak in een drama. Neem bijvoorbeeld het kuiltje knikkeren:
Het werd meestal op de stoep gespeeld en de tegels lagen niet altijd allemaal vlak. Als je goed kon mikken was dat nog geen garantie dat de knikker recht op zijn doel af zou gaan. De oneffenheden zorgden er vaak voor dat de knikker van richting ging afwijken en dan had je de “poppen aan het dansen”. De tegenstander(ster) wilde het dan nog een keer overdoen en dat mocht natuurlijk niet. Het gevolg was meestal ruzie om eigenlijk niks en dan was het weer brullen geblazen.
Looieren was een spel voor stoere knapen. Toen ik op de Lourdesschool zat werd het daar op het schoolplein zowat iedere dag gespeeld. Iedereen had wel een looier in het bezit. Een looier is een soort van grote knikker, maar dan van metaal. Dit projectiel werd dan gegegooid naar een bepaald punt, een klein beetje vergelijkbaar met het spel: “jeu de ‘boules”. De volgende speler moest dan proberen, met zijn looier, de reeds daarliggende te raken. Lukte dat, ontving hij van zijn tegenstander een aantal van te voren afgesproken hoeveelheid knikkers. Bij het missen was gewoon de volgende aan de beurt enzovoorts. Dat was best leuk om te doen, maar ook leuk om er alleen maar naar te kijken. Hoe groter de looier was die je had, des te groter was de kans dat je de andere zou kunnen raken. Er was geen limiet voor de grootte van deze looiers. Op een bepaalde dag gingen we weer looieren en ja hoor, wie kwam daar aan?: Jef van Ginneken uit de Oranjeboomstraat. Jef was de grootste leerling van de school en had een looier bij zich, waar de kanonniers uit vroegere tijden jaloers op zouden zijn geweest. Het duurde slechts één kwartier, toen was iedereen al zijn knikkers kwijt.
|
|
|
Haktollen was weer een spel dat meestal door jongens werd gespeeld. Je kon dat natuurlijk gewoon alleen spelen, maar je kon dat ook in wedstrijdverband doen. Bij haktollen draai je een touw om de tol in de daarvoor bestemde groefjes die op de tol zitten. Daarna gooi je de tol, door een flinke ruk aan het touw te geven, naar de grond en dan blijft ie ’n tijdje draaien. Als je dan goed luisterde kon je hem zelfs horen brommen. Ook dit spel werd vaak op de speelplaats van de Lourdesschool gespeeld. Wie had daar de grootste tol?, wie denkt u?, natuurlijk weer Jef van Ginneken. De bedoeling van dit spel was jou tol proberen op de reeds draaiende tol te gooien met de bedoeling hem te vernietigen, heel leuk! |
|
|
|
|
Diabolo was een spel dat meestal door meisjes werd gespeeld. Ik denk dat dit nog moeilijker was dan tollen. Je had twee stokjes met een touwtje er aan, daar legde je dan die kegelvormige diabolo op en begon te draaien. Als er dan een vloeiende beweging kwam in de snelheid van de diabolo, dat moest je dan zelf aanvoelen, dat gooide je de diabolo in de lucht. Dan ging hij vaak heel hoog, soms zelfs boven het dak uit. De kunst was dan om hem weer op te vangen en dan ging je zo weer verder. Ik heb hier vaak naar staan kijken. Er waren meisjes die konden dit zo goed, dat ze zo in een circus hadden kunnen optreden.
|
|
|
Hinkelen was misschien wel een van de leukste spellen die er destijds werden gespeeld. Dat deed je meestal met tweeën. Je tekende met krijt eerst een gebied verdeeld in vakken met nummers er in.
Op de kop van dat veld had je dan een zogenaamd vrij veld. Met een oud schoenenpoetsdoosje gooide je dan op het eerste vak. Gooide je in het vak zonder de lijn te raken dan mocht je beginnen. Hoe het verder ging weet ik niet meer zo goed. Het spel werd meestal door meisjes gespeeld. Als er tijdens het spel fouten werden gemaakt waren die altijd heel duidelijk zichtbaar. Dit spel eindigde dan ook meestal zonder ruzie.
Landpikkertje was best een gevaarlijk spel. Je speelde dat meestal ook met tweeën. Je sprak van te voren af vanuit welk gebied je zou beginnen op ruime afstand van elkaar. Dit gebied werd dan door middel van een mes afgebakend. Degene die begon, probeerde dan zover mogelijk van hem vandaan vanuit zijn gebied zijn mes in het zand te gooien, het mes moest dan wel rechtop blijven staan. Als het mes omviel was gelijk de andere aan de beurt. Bleef het mes wel staan dan mocht je bij het mes gaan staan en het gehele gebied rondom het mes bij jouw land voegen. De kunst was dan om op deze manier het land van jouw tegenstander te veroveren. Dit kon sportief gezien ook behoorlijk uit de hand lopen.
Net als bij het kuiltje knikkeren was het grondoppervlak niet altijd effen. Je kreeg dan vaak te horen: hij schoot per ongeluk uit mijn hand, nog een keer! De tegenstander pikte dat niet dus: ruzie! Ik heb een keer meegemaakt dat het mes van mijn tegenstander bij het gooien per ongeluk uit zijn hand schoot en met een rot vaart op mij zag aankomen. En je moeder thuis maar denken dat je braaf aan het spelen bent buiten.
|
|
 |
 |
Vliegeren is een spel dat tot op de dag van vandaag nog volop wordt gedaan. Het is toch onvoorstelbaar leuk dat je zo’n ding, wat je eerst in je handen had na enkele minuten toch al zo gauw 50 meter in de lucht ziet hangen. Je kunt hem nog besturen ook. Ga je lopen in de trekrichting dan gaat ie omhoog en loop je naar de vlieger toe dan gaat ie omlaag. Heel simpel allemaal, maar wat een genot voor de kinderen om dit te kunnen doen. Alléén kinderen zult u zeggen? Mijn vader had vroeger in de beginjaren vijftig zelf een vlieger gemaakt. Het leek meer op een grote paraplubak, gemaakt van latjes en gekleurd doorzichtig papier (zie afbeelding). Hij had waarschijnlijk wel eens ergens gelezen, dat zo’n constructie de meeste ideale vorm was om hem in de lucht te houden. Op een zondagochtend ging hij hem oplaten op het boeimeerveldje. Er was veel bekijks van de jeugd, het was tenslotte een zeer opvallend gevaarte. Inderdaad hij ging snel omhoog en daar stond ie, hoog torend boven de huizen.
Hij probeerde hem nog hoger te krijgen door aan het touw te trekken. Toen gebeurde het: Als een baksteen ging ie omlaag en viel ergens op de landerijen van boer Kleemans te pletter. Daar kon je niet opkomen, dus we hebben nooit meer iets van die vlieger gezien.
|
|