|
Kapelaan van Tilburg was geloof ik de 1e kapelaan. Het was een rustige beetje stoïcijnse man.
Tijdens het verblijf in de schuilkelder bij de bevrijding werd hij door pastoor Dekkers na elke hevige explosie naar boven gestuurd om te kijken of er schade was aan de kerk. Het grote glas in loodraam aan de kant van de Dr.Struyckenstraat is toen grotendeels aan diggelen gegaan. Ik weet nog goed dat je in dat raam altijd kon zien waar het gerepareerd was. Ook schijnt er wat schade aan het dak te zijn geweest.
Ik ben als misdienaar nog aanwezig geweest bij de H.Mis bij het 25 jarig priesterjubileum van kapelaan van Tilburg. Het was de 1e keer dat ik als misdienaar aanwezig was bij een mis met 3 heren. Daar werden altijd veel misdienaars bij ingeschakeld, 4 dienden werkelijk de mis, de rest zat er voor spek en bonen bij. Ik hoorde toen, net misdienaar bij de rest.
Kapelaan van Tilburg is kort na dit feest ergens pastoor geworden in Zeeuws Vlaanderen, jaren later dook hij op in Den Hout waar hij heel lang als een ouderwetse gemoedelijk dorpspastoor door het leven ging. Waarschijnlijk een van de laatste in zijn soort.
Begin jaren 50 overleed kapelaan Braat. Kapelaan Braat liep mank, hij had aan een voet zo’n hoge schoen, ik geloof dat ze dat een hompvoet noemde.Volgens mij was hij nog niet zo oud.
Kapelaan Braat werd, zoals toen gebruikelijk was, in een open kist opgebaard in de kerk gekleed in priestergewaad. Niets vermoedend ging ik ook kijken, niemand die mij waarschuwde. Het was voor het eerst dat ik een dode zag, ik dacht eerst dat er een pop in de kist lag, maar dichtbij gekomen zag ik dat het de kapelaan zelf was. Toen werd er nog weinig moeite gedaan om een dode er een beetje menselijk uit te laten zien. Een dode zag dan ook echt doodsbleek. Ik was helemaal van streek en zag ’s nachts steeds weer dat lijkbleke gezicht van de kapelaan.
Kapelaan Braat werd opgevolgd door kapelaan Grootten. Toen kwam er leven in de parochie. Waarom kapelaan Grootten priester was geworden begreep niemand. Zijn hart ging uit naar de techniek en daar was hij dan ook altijd mee bezig. Hij bouwde zelf radio’s en TV’s.
Nog voor wij op de woensdagmiddagen bij cafe de Mop naar dappere Dodo mochten kijken, heb ik op zijn kamer voor het eerst Televisie gezien, de kroning van koningin Elizabeth van Engeland in 1953. Hele mistige zwart/wit beelden.
Voor een goede ontvangst had je toen nog een grote T.V.antenne nodig, die zo hoog mogelijk moest zijn geplaatst. Kapelaan Grootten had zijn antenne daarom in de kerktoren aangelegd. Bekend is het verhaal dat pastoor Dekkers op een nacht door de politie uit bed werd gebeld, met de mededeling dat ze iemand in de toren hadden gezien met een zaklamp. Oh zei de pastoor, dat is de kapelaan maar, die is zijn T.V.antenne aan het richten.
De kamer van de kapelaan had veel weg van een werkplaats, hij lag vol met half gesloopte of in aanbouw zijnde radiotoestellen en andere elektra-apparatuur. Nergens kon je zitten, overal lagen onderdelen. De kapelaan had duidelijk moeite zijn hobby te combineren met zijn pastorale taak. De mis dienen was bij hem een feest, in 20 minuten was hij klaar. Hij wachtte de antwoorden van de misdienaars niet eens af en was alweer aan het volgende gebed bezig.
Preken was een ramp voor hem, met de ogen dicht stond hij een beetje op de preekstoel te wauwelen. Ik weet nog hoe hij na de lancering van de Spoetnik door Rusland, de eerste kunstmaan, daar zijn zondagspreek maar aan ophing.
De kapelaan gedroeg zich af en toe als een kwajongen, hij scheurde op een scooter door Breda. Hij had ook zelf een scanner gebouwd waar hij de politieradio mee afluisterde. Als er ergens een ernstig ongeluk was gebeurd, scheurde hij er met zijn scooter naar toe, het H.Oliesel in zijn binnenzak. Was het echt ernstig dan kon het gebeuren dat de kapelaan de laatste sacramenten der stervenden al had toegediend nog voor de politie arriveerde.
Kapelaan Grootten kwam vaak bij ons thuis. In die tijd droegen priesters over hun toog nog zo’n sjerp om hun middel, die aan een zijkant afhing en bijna tot hun enkels reikte, met van die franjes eraan. Door zijn onstuimige gedrag bleef de kapelaan om de haverklap ergens achter hangen met zijn sjerp. Hij liep dan gewoon achterom bij ons binnen en vroeg mijn moeder of ze zijn sjerp even kon repareren. Ik zie ze nog zitten, op een keer was er haast mee, omdat hij naar een belangrijke bijeenkomst moest, de kapelaan op een stoel en mijn moeder op haar knieën ernaast de franjes er opnieuw aan te zetten.
Voor wat hoort wat. De kapelaan kwam ook vaak ons radiotoestel repareren., dat was nog zo’n ouderwetse buizenradio, waarvan er regelmatig een stuk ging. Mijn vader legde als hij daar mee bezig was een pakje sigaretten onder handbereik. Een van mijn zusjes riep eens heel hard door de kamer, toen de kapelaan er daar een van opstak: “Pappa de kapelaan zit aan jouw sigaretten”.
Kapelaan Grootten heeft jaren later zijn hobby en priesterroeping op een wonderlijke wijze weten te combineren. Hij is naar Brazilië vertrokken en heeft daar in een bisdom 4x zo groot als Nederland een radiostation gebouwd. Zo konden verafgelegen parochies, waar maar 1 per jaar een priester kwam, toch contact houden met het bisdom en zondags per radio kerkdiensten volgen.
- Kapelaans van Dongen en Romme
In de jaren 50 zijn 2 kapelaans maar betrekkelijk kort in onze parochie werkzaam geweest.
Kapelaan van Dongen was de opvolger van kapelaan van Tilburg. Al na 3 maanden kwam hij om het leven bij een dodelijk ongeval in België.
Kapelaan Romme volgde hem op. Het was een goede bekende van mijn vader, ze kenden elkaar van hun geboortedorp Prinsenbeek. Volgens mijn moeder was deze kapelaan te hoffelijk voor vrouwen voor een priester. Hij stond gewoon in zijn hemd voor het raam van zijn kamer in de pastorie en mijn moeder vond dat niet passen. Kapelaan Romme verdween zeer plotseling. Boze tongen beweren dat hij gewoon weggelopen is uit de pastorie na een conflict met pastoor Dekkers. Overspannen heette dat in zo’n geval. Kapelaan Romme is naar “Oostpriesterhulp” gegaan, dat werd geleid vanuit een klooster in België, ik weet niet of ik dat als een strafplaatsing moet zien.
Kapelaan Peters werd de opvolger van kapelaan Romme. Deze kapelaan had een spraakgebrek, zijn mond stond ook een beetje scheef, alsof hij ooit een beroerte had gehad, hoewel hij daar wat te jong voor was. Zo’n spraakgebrek was natuurlijk nogal een handicap voor iemand in zijn positie, zijn preken waren nauwelijks te volgen. Als hij de mis opdroeg was zijn Latijn nog slechter verstaanbaar dan dat van de misdienaars. Zingen was helemaal een ramp voor deze kapelaan. En daar kwam je niet onderuit als je in die tijd priester was, het Gloria en de het Credo moest de priester bij een gezongen mis zelf inzetten, ook het Pater Noster en het Evangelie werd bij een gezongen mis door de celebrant zelf gezongen.
Er gingen ook geruchten dan de kapelaan vanwege zijn handicap nooit tot pastoor gepromoveerd zou worden.
Kapelaan Peters was vanwege zijn gebrek dan ook vaak onderwerp van spot in de parochie, hij werd niet erg serieus genomen en vaak belachelijk gemaakt. Iets wat hij niet verdiende, als misdienaar vond ik hem best een aardige man. Kapelaan Peters is halverwege de jaren 60 plotseling overleden, hij was toen nog steeds kapelaan in onze parochie.
Kort na kapelaan Peters kwam ook kapelaan Nooyens in de parochie, als opvolger van kapelaan Grootten. De kapelaans Peters en Nooyens konden goed met elkaar overweg, ze trokken veel met elkaar op. Kapelaan Nooyens ging over de misdienaars en hij was de eerste die daar wat meer werk van maakte. Kapelaan Grootten verwaarloosde het coachen van de misdienaars en liet dat aan de koster over. Kapelaan Nooyens ging een jaarlijks uitstapje voor misdienaars en koorzangers organiseren.
Kapelaan Nooyens kwam vaak bij ons thuis, hij bezocht ons zelfs nog toen we al verhuisd waren naar de Hoge Vucht. Achteraf gezien denk ik dat hij om een of andere reden een zwak voor mij had, misschien omdat hij in mij een brave oppassende jongen zag??
Sinds dat kapelaan Nooyens over de misdienaars ging maakte ik snel promotie tot acoliet, mocht de nachtmis dienen met Kerstmis en de Paaswake. De acolieten hadden op een gegeven moment hun eigen uitstapje, maar kapelaan Nooyens vroeg mij of ik als begeleider ook meeging met het reisje van de kleine misdienaars.
Een keer heeft hij mij teleurgesteld. Ik kwam thuis van school en de kapelaan had zijn fiets met lekke band bij ons gebracht, met het verzoek of ik die maar even naar fietsenmaker Kunen op de Haagweg wou brengen om te laten maken. Ik zat al op de ambachtsschool en dacht, voordat ik op de Haagweg ben, heb ik die band zelf geplakt en heb dat dus ook gedaan. Nou dat is snel zei de kapelaan nog, toen ik zijn fiets terug bracht “en wat kostte het” “niets” zei ik heel dom, “want ik heb hem zelf geplakt”. Ik kreeg behalve de complimenten verder inderdaad niets, wel was ik vanaf toen iedere keer de klos, ik heb wat banden geplakt voor de pastorie en altijd voor niets.
En dan is er natuurlijk nog kapelaan Maas. Zolang wij tegenover de pastorie woonden, woonde kapelaan Maas daar ook. Kapelaan Maas hield zich vooral bezig met sociaal en het pastoraal werk in het Westeinde en je zag hem niet veel in de rest van de parochie. Behalve als er gezongen moest worden bij plechtige diensten, dat kon hij heel goed en dan kreeg hij een hoofdrol.
De kapelaan wordt ook nu nog vaak geroemd vanwege zijn sociale activiteiten in het Westeinde, maar ik vond het een onaangename man. Hij was de enige bewoner van de pastorie die ons, toen nog kleine kinderen, van het kerkplein afstuurde, de mooiste speelplaats in de buurt. En dat terwijl we ons toch alleen maar bezig hielden met onschuldige spelletjes uit die tijd, knikkeren, tollen, hinkelen, dat soort dingen.
De mis dienen bij kapelaan Maas was een ramp, regelmatig zette hij de misdienaars voor schut. Als je ergens te laat mee was, of iets vergat, riep hij heel hard vanaf het altaar “MISDIENAAR!!” zodat heel de kerk wist dat je zat te slapen of te suffen. Ook als je die moeilijke latijnse gebeden niet duidelijk genoeg uitsprak, zei hij doodleuk “Opnieuw misdienaar, dit verstaat Onze Lieve Heer niet”. Soms zei hij dan woord voor woord voor en moest je hem nazeggen. Geen wonder dat de H.Mis bij hem 2 keer zo lang duurde als bij kapelaan Grootten.
In de nadagen van mijn carriëre als misdienaar kwam pastoor Dekkers te overlijden, ik heb zijn uitvaart nog gediend. Ik kan me herinneren dat kapelaan Nooyens in paniek raakte omdat bisschop Baeten onaangekondigd zijn uitvaart kwam bijwonen. Er moest een bidstoel bijgeplaatst worden op het priesterkoor voor de bisschop, en wij misdienaars kregen extra instructie om bij elke handeling richting bisschop te buigen.
De grafzerk van pastoor Dekkers, ligt op Zuilen op een steenworp afstand van die mijn ouders. Toen mijn ouders daar beginjaren 90 werden begraven, kon ik me heel goed herinneren, dat ik als misdienaar in 1962 enige meters verder aan zijn graf heb gestaan. Ik vond zijn verwaarloosde zerk terug half overwoekerd door struiken en nog amper leesbaar.
Ik ben ook nog aanwezig geweest bij de installatie van pastoor Ligtenberg.
Kapelaan Schoenmakers kwam in de parochie toen kapelaan Maas zich helemaal aan het pastoraat van het Westeinde ging weiden. Maar noch aan pastoor Ligtenberg, noch aan kapelaan Schoenmakers heb ik veel herinneringen. Ik werkte op dat moment al, en was minder betrokken met het wel en wee van de bewoners van de pastorie. In 1963 ben ik in dienst gegaan en in feite uit de parochie vertrokken. Ik ben wel tot dat moment acoliet gebleven. Tijdens mijn diensttijd is ons gezin verhuisd naar de Hoge Vucht, ik ben dus nooit meer in de Oranjeboomstraat teruggekeerd. Ik ben nog eenmaal op de pastorie geweest toen ik in 1971 trouwde en mijn doopbewijs nodig had. Ik werd door pastoor Ligtenberg verwelkomd als ‘de oude overbuurman’.
|