|
Zoals ondertussen iedereen wel weet, woonde ik vroeger in de Oranjeboomstraat. Dat was in het stukje tussen de Oosterstraat en de Scheldestraat. Ik had mijn slaapkamer aan de achterkant. Als ik naar buiten keek had ik een riant uitzicht op de wei, die lag tussen de Oranjeboomstraat en de Amstelstraat. De Amstelstraat heette overigens vroeger gewoon: Westeinde. Gemakshalve hebben ze de hele wijk maar zo genoemd. In het begin van de jaren vijftig werd de straatnaam: Westeinde uiteindelijk gewijzigd in: Amstelstraat. Aangezien ik jaren gebruik heb gemaakt van deze slaapkamer, alwaar ik natuurlijk als kind niet alleen sliep, maar ook in speelde en later ook nog mijn huiswerk maakte en zelfs nog mijn studietijd in doorbracht tot aan mijn 23e toe, heb ik toch wel zo het een en ander kunnen aanschouwen, wat zich daar, zowel als op de wei en Amstelstraat, allemaal afspeelde. Dit gedurende de periode van, zeg maar: 1948 tot 1967 toe. Het was natuurlijk vanzelfsprekend als die ‘gasten’ van het Westeinde aan het spelen waren op die wei dat ik daar dan niks te zoeken had, want dan werd ik toch onmiddellijk weggejaagd. Immers, de wei grensde natuurlijk niet alleen aan de Oranjeboomstraat. Maar hun zagen dat toch meer als een gebied dat alleen bij het Westeinde behoorde. Als je ook maar even je ‘neus’ liet zien, dan kwamen ze al op je af. Dus het was voor mij voornamelijk alleen maar kijken wat daar zoal gebeurde. Nou, daar gebeurde altijd wel wat. Het leek wel of dat bij hun in het ‘bloed’ zat, maar het was daar regelmatig knokken. Het was dus niet alleen een vete tegen de Oranjeboompleinbuurtbewoners, neen, onderling konden ze ook hun handen niet thuis houden en ze gingen vaak flink te keer. Menige steen is wel eens tegen een of ander hoofd gegaan tot bloedens toe (die stenen waren daar ruimschoots aanwezig). Daarna gingen de ouders er zich ook nog mee bemoeien en dan had je al gauw een ‘slagveld’ en ik zat dan ‘eerste rang’ in mijn slaapkamer, veilig en wel dit gade te slaan. Onmiddellijk werd dan Janus van Gils, de melkboer, erbij geroepen en zodra hij zijn gezicht liet zien was het gelijk over. Nog ’n beetje ‘namorrelen’ en de zaak was weer gesust.
Wat ik ook altijd wel aardig vond, dat waren de voetbalpartijtjes die de jeugd en vaak ook de volwassenen op dat ‘knollenveld’ speelden. Op een gegeven moment hadden ze wat doelpalen daar neergezet. Prompt iedere avond gingen toen de volwassen dan een balletje trappen, tot het donker werd toe. Dat zag er altijd toch wel vreedzaam uit. Het was eigenlijk best wel leuk om naar te kijken. Meestal beperkten zij zich tot een ‘balletje goalschieten.’ Een man of twintig, soms wel meer, trapten dan een balletje naar elkaar toe en als iemand hem aardig voor zijn voet kreeg, knalde hij deze naar de goal, waar dan een vrijwilliger in was gaan staan, want iemand moest natuurlijk wel keepen.
|
|
Maar eigenlijk had niemand zin om in die goal te gaan staan. Immers, voetballen is natuurlijk veel leuker. Avond na avond en zelfs jarenlang, waren steeds dezelfde volwassen personen daar bezig. Het werden zowaar op den duur allemaal bekenden voor mij. Altijd waren er een paar van de familie Lips bij. Bij mijn weten hadden ze daar meer dan 20 kinderen thuis en ze leken ook allemaal wel ’n beetje op elkaar. Bovendien waren ze ook nog eens ‘flink uit de kluiten’ gewassen. Wat zal dat een genot voor Pa en Ma Lips zijn geweest, toen de kinderbijslag werd ingesteld. Volgens mij kon Pa Lips gelijk stoppen met werken, want reken maar eens uit hoeveel kinderbijslag je wel niet krijgt voor zo’n 20 kinderen. Er waren natuurlijk ook al volwassen ‘Lipsjes,’ maar zeker nog een groot aantal kleintjes. Jaren later zag ik ze en sommige daarvan leken erg veel op hun oudere broers, die toen op de wei aan het voetballen waren.
Er kwam ook een moment dat die ‘gasten’ van het Westeinde de wei een beetje gingen egaliseren, zodat het mogelijk werd er een echt (lijkend) voetbalveld van te maken. Het was trouwens groot genoeg en ja hoor op een bepaald moment hadden ze het voor elkaar en konden er bijna volwaardige wedstrijden op worden gespeeld. Die boerderij van Boer Vriends was inmiddels ook al weg, dus meer ruimte. Zo werd het voor mij ook leuker. Ik kon vanuit mijn slaapkamerraam alles keurig volgen. Ook Heintje van Gastel heb ik daar toen wel eens met een bal bezig gezien en ook nog Frans Remie, die later ook nog in het eerste elftal van NAC kwam te spelen. Wellicht zat ik op een dag ook naar buiten te kijken op het moment dat Corry Konings daar ter wereld kwam. Immers, wij keken tegen dat huis aan. Maar naar binnen konden we natuurlijk niet kijken. Maar toch wel leuk deze wetenschap. Ook woonde daar ergens een familie, waarvan ze een zoontje hadden die Jantje heette. Hoe vaak ik dat niet heb gehoord dat een moeder riep: “Jáááántje, kom hier!” Zowat elke avond en dit jarenlang. Met een stem, zoals je die ook wel eens hoorde op een ‘Vismarkt.’ Prachtig, die herinnering! Maar nogmaals, de voetballende Westeinders waren voor mij toch wel de leukste momenten van uit die tijd.
|
|
|