| Motorenfabriek De Emer | ||||||||||||||
| Een bijdrage van: Paul M.M. Klep-Informatie overgenomen van de site van: Adrie en Jeanne Oostvogels www.2oostvogels.nl
|
||||||||||||||
| Oproep: Heeft u een motor of weet u waar een motor is van machinefabriek “De Emer” of misschien foto’s, verhalen of brochures, laat u het ons dan s.v.p. weten. We zijn al blij met foto’s en kopieën. Vriendelijke groeten van Adrie en Jeanne Oostvogels. www.2oostvogels.nl | ||||||||||||||
|
Frans Klep (1850-1909) ging na de lagere school naar Saint Louis in Oudenbosch en naar Rolduc, maar keerde al vroeg terug om ijzergieter te worden in het familiebedrijf op de Haagdijk in Breda. In 1875 nam hij op 25-jarige leeftijd de ijzergieterij over van zijn moeder, de weduwe Catharina Klep-de Bruijn. Het bedrijf telde toen 62 arbeiders, voor die tijd een aanzienlijk aantal. In hetzelfde jaar huwde hij met de 21-jarige Maria van de Loo uit Maasbree. Ondanks de ups en downs in de economie wist hij de omzet van zijn bedrijf gestadig uit te breiden. In 1888 verkocht hij zijn bezittingen op de Haagdijk en bouwde hij een nieuwe, grotere fabriek genaamd “De Etna” op de plaats die later de Tramsingel is genoemd, tussen water en spoor. Naast het zogenaamde grof gietwerk wist hij een grote omzet te bereiken in kleine artikelen zoals veevoederpotten, kachels en petroleumtoestellen die gretig aftrek vonden. Toen de firma Frans Klep in 1902 tot Naamloze Vennootschap werd omgevormd telde de fabriek ruim 200 personeelsleden. De twee stoomwerktuigen van resp. 70 en 16 pk werden kort daarop vervangen door 1 stoommachine van 100 pk met een verwarmd oppervlak van 66 m2. Uitbreiding na uitbreiding vond plaats. Niet zelden klaagde Frans Klep over de prijs van de succesvolle expansie van zijn bedrijf: het hoge tempo en de jachtigheid van zijn bestaan als fabrikant. Zijn gezondheid leed eronder. Niet alleen zakelijk, ook in familiaal opzicht ging het hem voor de wind: sedert hun huwelijk in 1875 schonk zijn vrouw hem bijna jaarlijks een kind, tot zij de leeftijd van 43 jaar bereikte. Zij kreeg 17 kinderen, van wie er 6 op jonge leeftijd overleden. Rond 1900 telde het huishouden van Frans Klep 7 jongens in de leeftijd van 3 tot 24 jaar en 4 meisjes in de leeftijd van 5 tot 23 jaar. Met name over de toekomst van zijn zeven zonen maakte Frans Klep zich grote zorgen. Hij stuurde ze allemaal naar Rolduc of andere middelbare scholen, maar wat moest daarna gebeuren? Deze bezorgdheid verklaart veel van zijn enorme werkracht inzake commerciële en industriële activiteiten. |
![]() |
|||||||||||||
| foto: Frans Klep (1850-1909) | ||||||||||||||
| In 1905 telde het fabriekje 12 man, in de jaren 1906-1907, 20 man personeel en er stond een zuiggasmotor van 10 pk. opgesteld. In januari 1907 wist hij bij bankier Frans Laurijssen te Breda een krediet van f. 20.000,- los te krijgen voor de verdere ontwikkeling van de zuiggasmotorenfabriek, waar trouwens ook stadgas-, benzine- en petroleummotoren werden vervaardigd. Deze machines werden, zoals het een ijzergieter betaamt, zwaar uitgevoerd, meestal met een capaciteit van 10 tot 35 pk. In feite werd het bedrijf geleid door de “ambtelijke directeur” van de ijzergieterij van “De Etna”, de heer A.J. Verhoeven. Ongetwijfeld heeft ook Willem Klep een belangrijke rol gespeeld in de motorenfabriek, hoewel niet duidelijk is welke precies. Willem had in ieder geval wél de technische knowhow. | ||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||
|
Tot het midden van de jaren 80, toen hij nog maar 4 zonen had, ging Frans Klep er eigenlijk van uit, dat die allemaal in “De Etna” zouden komen. Met het oog hierop spande hij zich bijzonder in zijn bedrijf zo sterk mogelijk te maken en voortdurend te vergroten. Rond 1900 stapte hij van dit idee af: met zijn zevenen in de zaak, dat kan toch niet... Voor zijn twee oudste zonen, Francois (1876-1941) en Arthur (1879-1945) was er plaats, voor Huib (1891-1956) en Willem zocht hij nu wat anders. Huib moest zeekapitein worden (wat later niet bleek te lukken), voor Willem ging Frans Klep ertoe over “De Emer” op te richten. Zo heel gemakkelijk ging dat trouwens niet. Eerst moest een hinderwetvergunning worden aangevraagd bij de gemeente Princenhage. Dat gebeurde in september 1903. Dat het gebouw in hout zou worden uitgevoerd veroorzaakte groot protest van de kant van de Staatsspoorwegen, die vreesden dat er elk moment brand zou kunnen uitbreken, waardoor het spoorwegverkeer zou worden belemmerd. De gemeente Princenhage bracht in de hinderwetvergunning zodanige beperkende condities aan (zoals verbod op aanwezigheid van benzine of petroleum en verbod op “geraasmakende arbeid” tussen 9 uur ’s avonds en 6 uur ’s morgens), dat een woedende Frans Klep in hoger beroep ging bij de Koningin. Het Koninklijk Besluit van 6 juni 1904 nr. 63 gaf hem gedeeltelijk zijn zin: maximaal 20 liter benzine en 20 liter petroleum mochten in het gebouwtje aanwezig zijn, maar in een goed afsluitbare ijzeren kast en de Burgemeester zou 12 keer per jaar ontheffing van de bepaling tegen de “geraasmakende arbeid” mogen geven... Zo kon hij dan een fabrieksgebouwtje laten neerzetten in de nabijheid van “De Etna” aan de Tramsingel in Breda. In 1905 werd het nog uitgebreid met een magazijn en werkplaats. In deze fabriek liet hij aanvankelijk twee soorten producten vervaardigen: houtbewerkingsmachines en zuiggasmotoren. |
||||||||||||||
|
In de loop van 1908 bekoelde het enthousiasme van Frans Klep voor “De Emer”. Hij benaderde overigens zonder succes: Jan Bijvoet in Alblasserdam voor een eventuele verkoop van het bedrijf. De forse inzinking in de conjuctuur die in deze tijd gaande was, alsmede enige liquiditeitsproblemen in “De Etna” kunnen een rol hebben gespeeld. Bovendien was zijn oudste zoon Francois in de brouwerij van zijn schoonfamilie Van Liebergen te Venlo opgenomen. Het meest doorslaggevend is wellicht het feit geweest, dat het bedrijf niet erg winstgevend bleek te zijn. De aandeelhouders van “De Etna” zagen met lede ogen aan hoe Frans Klep middelen van de ijzergieterij naar “De Emer” overpompte. De zaak werd er niet beter op toen eind 1908 een langdurige werkstaking op de “Etna” uitbrak. De omzet en winst leden hieronder ten zeerste. In april 1909 besloot Frans zijn motorenfabriek voor f. 51.000,- te koop aan te bieden. Zijn zoon Willem Klep, voor wie hij het bedrijf eigenlijk begonnen was en als enige van de familie ook technisch geschoold, zou in betrekking komen bij H. Grasso in Den Bosch. Concurrerende fabrikanten van zuiggasmotoren bleken steeds lichtere machines te bouwen en steeds goedkoper te kunnen leveren, terwijl een chronisch gebrek aan voldoende middelen voor investeringen en vernieuwingen hem bleef plagen. Bovendien had Frans Klep zelf geld nodig, omdat hij ten onrechte f. 25,000,- van “De Etna” voor “De Emer” had aangewend. Hoewel Grasso er bij hem op aandrong “De Emer” voor Willem te behouden, bleef hij bij zijn voorgenomen verkoop. Na reeds lange tijd met ernstige gezondheidsproblemen te hebben geworsteld, overleed Frans Klep op 14 juli 1909. De verkoop van “De Emer” verliep daardoor des te moeilijker. Uiteindelijk werd besloten de fabriek niet als geheel van de hand te doen. De aanwezige motoren en machinerieën werden aan diverse afnemers verkocht. In november 1910 vond de ultieme liquidatieverkoop plaats, waarna het fabrieksgebouw van “De Emer” door “De Etna” als opslagruimte in gebruik werd genomen. Willem Klep ging niet naar H. Grasso. In de jaren 1910-1912 begon hij met een Technisch Bureau in de Ginnekenstraat op nummer 17a. |
||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||
|
Bij de recente afbraak van het oude fabrieksgebouw van “De Etna” in Breda, door Internatio-Muller zijn de daar sedert 1888 bewaarde bedrijfsarchieven verloren gegaan, op één meter archief na!
|
||||||||||||||
| geschreven door: Paul M.M. Klep
Informatie overgenomen van de site van: Adrie en Jeanne Oostvogels |
||||||||||||||
| naar boven | ||||||||||||||