| Een belangrijk deel van de ons nagelaten gebouwde omgeving kan worden bestempeld als industrieel erfgoed. Inmiddels weet iedereen wel dat je hiermee fabrieken met schoorstenen bedoelt, maar ook pakhuizen en kleine werkplaatsen behoren ertoe. Kortom de ruimten van de werkende mens. Aan de Bredase Jan van Polanenkade staan twee van die pareltjes, die sinds kort eigendom zijn van NV Stadsherstel, namelijk het pakhuis de Pelmolen en de ijsfabriek de Noordpool. De kade is verdwenen en de rivier de Mark is hier verworden tot een grasveldje, maar de monumenten van Stadsherstel zorgen er voor dat de historische betekenis van deze plek bewaard blijft.
Nog tot het einde van de 17de eeuw lagen er weilanden in de stad Breda, op de plaats waar nu de wijk Gerardus Majella en de Seeligkazerne liggen. De weilanden behoorden toe aan het Gasthuis, dat ze sinds mensen-heugenis gebruikte als hooiland en voor het weiden van het vee. In 1540 kwamen deze Gasthuisvelden binnen de vesting te liggen en werden een begerenswaardig object voor zowel militaire als burgerlijke overheden. In 1682 nam de militaire overheid de Gasthuisvelden zondermeer in gebruik als exercitieterrein, als onderdeel van de modernisering van de vesting. Gouverneur van de vesting stond toe dat er langs de Markoever gebouwd werd. En zo bouwde Jan Koeymans daar, waar nu het Kadasterkantoor staat, in 1686 zijn scheepstimmerwerf. In 1687 volgde het graanpakhuis van Jacobus van Vechelen. Tien jaar na de bouw van het graanpakhuis besloot Jacobus van Vechelen zijn bedrijf uit te breiden met een grut- en pelmolen. Het moment was goed gekozen, de pelnijverheid was een groeimarkt. Bovendien stonden de meeste Nederlandse pelmolens in de Zaanstreek, ver weg van het Bredase verzorgingsgebied. In de Bredase molen werd haver tot havermout geplet en gerst tot gort gepeld. Met grutmolens worden doorgaans boekweitmolens bedoeld, maar in dit geval sloeg het op de productie van havermout. Om die lagere windkracht toch te kunnen gebruiken had van Vechelen een “dubbelde Olislagh” aan zijn molen toegevoegd. Daarmee was de grut- en pelmolen dus tevens een oliemolen. Bij voldoende windkracht, overdag of ‘s nacht, moest er direct gewerkt kunnen worden. Daartoe was het huis ten noorden van het pakhuis ingericht tot molenaarswoning. De molen zelf stond daarachter in de hof (nu de parkeerplaats van het Kadaster).
|
|
 |
|